Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Cabinebelangen c.s./KLM, VNV en FNV
Hoge Raad, 3 februari 2017
ECLI:NL:HR:2017:162

Stichting Cabinebelangen c.s./KLM, VNV en FNV

Geen overgang van onderneming door overname cabinepersoneel Martinair door KLM wegens ontbreken identiteitsbehoud, ondanks tijdelijke detachering op ‘oud werk’. Luchtvaart is kapitaalintensieve sector.

Feiten

De Stichting Cabinebelangen (hierna: de Stichting) c.s. hebben in eerste aanleg gevorderd voor recht te verklaren dat de overgang van de passagedivisie van Martinair naar KLM moet worden aangemerkt als een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW en voorts, samengevat, voor recht te verklaren dat KLM gehouden is ieder cabinepersoneelslid dat bij Martinair in dienst was, te werk te stellen in (vrijwel) dezelfde functie als hij/zij bij Martinair vervulde, met behoud van senioriteit, anciënniteit en IPB-nummer, en hun op basis daarvan een salaris toe te kennen op grond van de KLM-cao cabine, en de KLM-pensioenregeling op hen toe te passen. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat geen sprake is van overgang van onderneming. In het vonnis is voorts overwogen dat voor het geval dat geen sprake is van overgang van onderneming, de Stichting c.s. onvoldoende hebben toegelicht dat KLM een ongeoorloofd onderscheid maakt en voor dat geval evenmin hebben onderbouwd dat KLM haar informatieplicht heeft geschonden. Het hof heeft het oordeel van de kantonrechter bekrachtigd.

Conclusie A-G (Keus) - geen sprake van behoud van identiteit

In principaal beroep wordt opgekomen tegen het oordeel dat de economische eenheid die het cabinepersoneel volgens het hof vormt, haar identiteit niet heeft behouden, voor zover het hof dat oordeel hierop heeft gebaseerd dat KLM, die het merendeel van het overgenomen cabinepersoneel bij Martinair had gedetacheerd om bij de resterende passageactiviteiten van Martinair te worden ingezet, van begin af aan de bedoeling had die passageactiviteiten op korte termijn te staken. Volgens de Stichting volgt juist uit het feit dat het merendeel van het personeel na de overgang hetzelfde werk is blijven doen – maar dan gedetacheerd – juist dat sprake is van behoud van identieteit. De A-G concludeert anders. Tegen de door het middel verdedigde lezing verzet zich reeds dat, waar het middel met de door KLM overgenomen en op termijn te staken ‘activiteiten’ onmiskenbaar de passageactiviteiten van Martinair bedoelt, KLM die activiteiten naar het oordeel van het hof niet van Martinair heeft overgenomen (evenmin als – het gebruik van – de passagevliegtuigen), maar slechts het cabinepersoneel dat bij Martinair bij de passageactiviteiten was betrokken. Evenmin is juist dat (in de gedachtegang van het hof) KLM als overnemende partij de bedoelde passageactiviteiten zou hebben gestaakt; de bedoelde activiteiten zijn niet door KLM, maar door Martinair zelf gestaakt.

Luchtvaart is kapitaalintensieve sector

In het incidentele cassatieberoep concludeert de A-G aldus. Voor een overgang in de zin van de richtlijn is beslissend of het betreffende bedrijf(sonderdeel) (de betreffende economische eenheid) zijn (haar) identiteit behoudt, wat met name uit de daadwerkelijke voortzetting of hervatting van de exploitatie ervan blijkt (zie reeds HvJ EG 18 maart 1986, C-24/85, ECLI:NL:XX:1986:AC8669 (ECLI:EU:C:1986:127), NJ 1987/502, punten 11-12 (Spijkers), en, recentelijk, HvJ EU 9 september 2015, C-160/14, ECLI:EU:C:2015:565, AB 2016/1 m.nt. R. Ortlep, JAR 2015/260 m.nt. R.M. Beltzer, TvAO 2015/4 m.nt. L. Geldof en C. Waterman, punt 25 (Air Atlantis)). In het algemeen moet bij de vaststelling of aan de voorwaarde van identiteitsbehoud is voldaan, rekening worden gehouden met alle feitelijke omstandigheden die de betreffende transactie kenmerken, waaronder met name de aard van de betrokken onderneming of vestiging, de vraag of materiële activa zoals gebouwen en roerende zaken worden overgedragen, de waarde van de immateriële activa op het tijdstip van de overgang, de vraag of vrijwel al het personeel door de nieuwe ondernemer wordt overgenomen, de vraag of de clientèle wordt overgedragen, de mate waarin de vóór en na de overgang verrichte activiteiten met elkaar overeenkomen en de duur van een eventuele onderbreking van die activiteiten. Deze factoren zijn volgens het Hof van Justitie slechts deelaspecten van het te verrichten volledige onderzoek en mogen daarom niet afzonderlijk worden beoordeeld (zie het arrest Spijker, punt 13, en het arrest Air Atlantis, punt 26). In dat verband heeft het Hof van Justitie echter wel beklemtoond dat het gewicht dat aan de onderscheiden factoren moet worden toegekend, noodzakelijkerwijs verschilt naargelang van de aard van de betrokken onderneming of vestiging en van de daardoor uitgeoefende activiteit, en zelfs van de productiewijze of bedrijfsvoering in de betrokken onderneming, vestiging of onderdeel daarvan (zie HvJ EG 11 maart 1997, C-13/95, ECLI:NL:XX:1997:AG1499 (ECLI:EU:C:1997:141), NJ 1998/377, JAR 1997/91 m.nt. R.M. Beltzer, TVVS 1997/85 m.nt. M.R. Mok, punt 18 (Süzen), en het eerdergenoemde, recente arrest inzake Air Atlantis, punt 27). Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie zijn reeds de door de vliegtuigen gevormde activa zo kenmerkend voor een bedrijf(sonderdeel) in de luchtvaartsector, althans een bedrijf(sonderdeel) dat zich direct met de luchtvaart bezighoudt, zoals een passagedivisie, en zozeer onmisbaar voor de goede werking van de betreffende economische eenheid, dat zonder de overgang van die activa niet kan worden gesproken van de overgang van het betrokken bedrijf(sonderdeel), in casu de passagedivisie van Martinair.

Oordeel Hoge Raad - artikel 81 RO

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.