Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/VEB Sealants Nederland B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 7 februari 2017
ECLI:NL:GHDHA:2017:182

werknemer/VEB Sealants Nederland B.V.

Bestuurder heeft recht op restant salaris en een transitievergoeding na ontslagbesluit algemene vergadering. Opzegging niet in strijd met artikel 7:669 BW: partijen waren al bezig de arbeidsovereenkomst te beëindigen wegens weinig florissante gang van zaken in de BV.

De feiten

Bestuurder is van meet af aan houder van (23,8% van de) geplaatste aandelen en enig bestuurder van VEB Sealants. Hij verrichtte alle werkzaamheden in de vennootschap tegen een salaris van € 3356,03 bruto per maand (fulltime); de vennootschap had geen andere werknemers in dienst. Tijdens de AV van 3 november 2014 werd geconstateerd dat ‘de verschuldigde omzetbelasting, loonbelasting, (…) het salaris en de premie werknemersverzekeringen’ onbetaald dreigden te blijven. Bij brief van 3 februari 2015 heeft de advocaat van bestuurder tot betaling van het loon gesommeerd. Hierbij is aangegeven dat bestuurder beschikbaar was voor werk, maar dat hij de nakoming van zijn verplichtingen opschortte wegens het niet betalen van dat salaris. Bij besluit van de AV genomen op 31 juli 2015 is bestuurder ontslagen ‘als statutair-directeur met ingang van 1 november 2015’. Bestuurder heeft de kantonrechter onder meer verzocht VEB Sealants te veroordelen aan hem een transitievergoeding van € 10.873, alsmede het salaris vanaf 1 januari 2015 tot 1 november 2015 en een ‘vergoeding naar billijkheid’ toe te kennen (driemaal de transitievergoeding). De kantonrechter heeft de verzoeken afgewezen.

De beoordeling

Het hof stelt vast dat bestuurder in deze procedure verzoeken heeft geformuleerd die louter zijn arbeidsrechtelijke positie ten opzichte van VEB Sealants betreffen. Naar het oordeel van het hof kan er niet van worden uitgegaan dat bestuurder zelf ontslag heeft genomen. Op 3 februari 2015 heeft bestuurder, bij brief van zijn advocaat, verzocht om betaling van het salaris van januari 2015, dat toen nog niet was ontvangen. Hij heeft zich beschikbaar gesteld voor het verrichten van werkzaamheden en tevens de nakoming van de verplichting tot het verrichten van werkzaamheden opgeschort. Tegen de achtergrond van deze (niet of onvoldoende gemotiveerd betwiste) stellingen van bestuurder kan niet worden aangenomen dat bestuurder, zoals VEB Sealants aanvoert, ontslag zou hebben genomen per 1 januari 2015. De brief van de advocaat van bestuurder van 3 februari 2015 maakt duidelijk dat bestuurder de arbeidsovereenkomst niet wenste te beëindigen. Bestuurder is, zoals al aan de orde kwam, de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst gaan opschorten. VEB Sealants doet een beroep op het bepaalde in artikel 7:627 BW en stelt dat bestuurder geen aanspraak kan maken op loon over de tijd dat hij geen werkzaamheden heeft verricht. Het hof volgt VEB Sealants niet in deze visie. Bestuurder heeft de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst opgeschort, omdat VEB Sealants wanprestatie pleegde door zijn salaris niet te voldoen. Onder deze omstandigheden behield bestuurder zijn recht op loon omdat de oorzaak van het niet verrichten van diens werkzaamheden voor rekening van VEB Sealants behoort te komen (art. 7:628 BW). Mocht VEB Sealants willen betogen dat bestuurder in de vervulling van zijn taak is tekortgeschoten dan had de AV eerder maatregelen kunnen nemen of – in het uiterste geval – tot ontslag van bestuurder kunnen overgaan. Over de periode januari 2015 tot en met oktober 2015 kan bestuurder daarom onverminderd aanspraak maken op betaling van loon. De arbeidsovereenkomst tussen bestuurder en VEB Sealants is geëindigd door de opzegging die besloten ligt in het besluit van de AV van 31 juli 2015. Aldus is er sprake van een opzegging door de werkgever, zoals bedoeld in de wettelijke regeling van de transitievergoeding, artikel 7:673 BW, die op het onderhavige ontslag van toepassing is gelet op de directe werking van de 1 juli 2015 van kracht geworden regeling. Tot slot heeft bestuurder verzocht VEB Sealants te veroordelen tot betaling van een vergoeding naar billijkheid, op grond van het bepaalde in artikel 7:682 lid 3 BW. Dat verzoek is naar het oordeel van het hof niet voor toewijzing vatbaar. Uit al hetgeen over en weer naar voren is gebracht, blijkt dat de financiële gang van zaken bij de vennootschap niet florissant was. Hoewel uit de brief van de advocaat van VEB Sealants van 7 augustus 2015 niet is op te maken welke van de in artikel 7:669 BW genoemde opzeggingsgronden aan het ontslag ten grondslag is gelegd, kan er in redelijkheid geen misverstand over bestaan dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd wegens grond h. Aldus kan niet gezegd worden dat de opzegging in strijd is met artikel 7:669 BW. Naar het oordeel van het hof is VEB Sealants tot het betalen van een billijke vergoeding echter niet gehouden. De onderneming was immers kennelijk al niet meer levensvatbaar toen spanningen zijn ontstaan tussen bestuurder enerzijds en de overige aandeelhouders anderzijds.