Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/X Beheer BV
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 16 februari 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:537

werknemer/X Beheer BV

Grondslag voor schadevergoeding bij nietig proeftijdontslag is artikel 7:677 lid 4 BW en niet artikel 7:672 lid 10 BW. Aanvulling rechtsgrond leidt niet tot verval van rechtsvordering.

Feiten

Op 11 februari 2016 is werknemer voor de duur van zes maanden in dienst getreden van X Beheer in de functie van Recruitment Consultant. Op deze arbeidsovereenkomst is een proeftijdbeding van toepassing. Werknemer is op 10 maart 2016 met een beroep op de proeftijd ontslagen. Werknemer heeft zich op het standpunt gesteld dat het proeftijdbeding nietig is, want in strijd met artikel 7:652 BW. In plaats van de vernietiging heeft werknemer schadevergoeding ex artikel 7:672 lid 9 (inmiddels 10) BW verzocht. Volgens X Beheer BV hebben partijen een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden plus één dag gesloten. De kantonrechter heeft het verzoek van werknemer afgewezen.

Oordeel gerechthof

Het hof oordeelt als volgt.

Uitleg duur arbeidsovereenkomst: zes maanden of zes maanden plus één dag?

Het hof stelt voorop dat artikel 1.1 van de arbeidsovereenkomst niet duidelijk is geformuleerd. In de eerste zin staat dat werknemer in dienst treedt voor bepaalde tijd van zes maanden. In de tweede zin staat er dat de werknemer met ingang van 11 februari 2016 in dienst treedt en dat de arbeidsovereenkomst derhalve van rechtswege eindigt op 11 augustus 2016. Daarbij rijst de vraag of met de zinsnede ‘op 11 augustus 2016’ wordt bedoeld dat de arbeidsovereenkomst loopt tot of tot en met 11 augustus 2016. Het hof is van oordeel dat werknemer redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat partijen een duur van de arbeidsovereenkomst van zes maanden sec zijn overeengekomen. Daarbij neemt het hof de volgende omstandigheden in aanmerking. Gelet op het feit dat in de eerste zin wordt gesproken over een bepaalde tijd van zes maanden en in de tweede zin het woord ‘derhalve’ wordt gebruikt, is het hof van oordeel dat een taalkundige uitleg erop wijst dat partijen een duur van de arbeidsovereenkomst van zes maanden zijn overeengekomen en niet van zes maanden plus één dag. Dat er in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst een proeftijdbeding is opgenomen, is onvoldoende om te concluderen dat partijen een duur van zes maanden en één dag overeen wilden komen.

Grondslag: artikel 7:672 lid 10 of artikel 7:677 lid 4 BW?

Het hof leidt uit de wetsgeschiedenis bij de Wet werk en zekerheid af dat de wetgever in deze wet duidelijkheid heeft willen verschaffen over de vraag of een opzegging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder tussentijds opzegbeding vernietigbaar is. Daarbij heeft de wetgever ervoor gekozen de gevolgen van de opzegging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds kan worden opgezegd te regelen in artikel 7:677 lid 4 BW (en niet in art. 7:672 lid 9 BW, dat met ingang van 1 januari 2016 is vernummerd tot 7:672 lid 10 BW). Het hof verwijst naar de volgende passage uit de wetsgeschiedenis: ‘De regering merkt op dat met artikel 7:677, vierde lid, BW duidelijkheid wordt gecreëerd over wat geldt in geval sprake is van een tijdelijke arbeidsovereenkomst die niet tussentijds kan worden opgezegd (omdat deze geen tussentijds opzegbeding bevat). Artikel 7:672 (negende lid) BW heeft betrekking op een reguliere opzegging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd en bevat in dat kader onder andere de wettelijke opzegtermijn. Het is juist dat het huidige artikel 7:677, tweede lid, BW eenzelfde term hanteert als de term die in het nieuwe artikel 7:672, negende lid, BW wordt gehanteerd, doch de regering wijst erop dat die terminologie in het wetsvoorstel bewust niet terugkomt in het nieuwe artikel 7:677, vierde lid, BW. Daar wordt expliciet bepaald wat rechtens is wanneer een partij die een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds kan worden opgezegd, in strijd met het eerste lid van dat artikel opzegt. De regering is dan ook van mening dat – anders dan in het huidige artikel 7:677, tweede lid, BW het geval is – de tekst van het wetsvoorstel de duidelijkheid verschaft die de regering op dit punt wenselijk acht. Dat hiermee sprake is van een gewenste verduidelijking wordt overigens ook in de literatuur erkend. De wetgever heeft artikel 7:677 lid 4 BW niet willen beperken tot de gevolgen van een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet, ondanks de verwijzing naar lid 1. Gelet op het voorgaande is het hof, anders dan de kantonrechter, van oordeel dat artikel 7:677 lid 4 BW ten grondslag kan worden gelegd aan een verzoek tot schadevergoeding als het onderhavige. Zeker nu het in het onderhavige geval gaat om opzegging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder tussentijds opzegbeding met onmiddellijke ingang. Een dergelijke opzegging is op één lijn te stellen met een niet rechtsgeldige opzegging wegens een dringende reden, waarbij de dringende reden ontbreekt.

Vervaltermijn?

Het dienstverband tussen partijen is geëindigd op 10 maart 2016. Bij verzoekschrift van 26 april 2016 heeft werknemer verzocht X Beheer te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat X Beheer de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder tussentijds opzegbeding heeft opgezegd op grond van een nietig proeftijdbeding. Bij brief van 27 mei 2016 heeft werknemer de juridische grondslag van zijn verzoek aangevuld en artikel 7:677 lid 4 BW als subsidiaire grondslag aangevoerd. Het hof is van oordeel dat ook zonder deze wijziging het hof het verzoek tot schadevergoeding van werknemer had kunnen en moeten toewijzen op grond van artikel 7:677 lid 4 BW. Het subsidiaire verzoek ziet op dezelfde feiten en feitelijke grondslag als het oorspronkelijke verzoek en het hof dient op grond van artikel 25 Rv de rechtsgronden aan te vullen. Nu het oorspronkelijke verzoekschrift binnen de termijn van twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, is ingediend, staat de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW niet aan toewijzing van het verzoek tot schadevergoeding van werknemer in de weg.