Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Kinderopvang Noord-West Friesland
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 15 februari 2017
ECLI:NL:RBNNE:2017:568

werkneemster/Stichting Kinderopvang Noord-West Friesland

Opzegging arbeidsovereenkomst langdurig zieke werkneemster zonder toestemming van het UWV. Werkgever steekt wat betreft de financiële afwikkeling van het dienstverband de kop in het zand. Billijke vergoeding van € 1000 bruto is in dit geval redelijk.

Feiten

Werkneemster is op 1 april 2007 in dienst getreden bij de Stichting. Laatstelijk vervulde zij de functie van adjunct-hoofd. Per 26 september 2014 is werkneemster volledig arbeidsongeschikt geraakt. Per einde wachttijd (23 september 2016) is haar een WIA-uitkering toegekend. Bij brief van 6 september 2016 heeft de Stichting werkneemster meegedeeld dat haar dienstverband met ingang van 23 september wordt beëindigd. Werkneemster verzoekt betaling van een transitievergoeding ex artikel 7:673 BW van € 7074 bruto en een billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW van € 14.128 bruto.

Oordeel

Transitievergoeding en billijke vergoeding

Tegen de Stichting, die niet op de zitting is verschenen, wordt verstek verleend. Het verzoek om toekenning van een transitievergoeding komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit verzoek wordt toegewezen. De Stichting heeft het UWV niet verzocht om toestemming voor de opzegging. De opzegging van het dienstverband is derhalve in strijd met artikel 7:671 lid 1 BW. Werkneemster heeft berust in de opzegging en verzocht om een billijke vergoeding. Voor de toekenning van de billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW is geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever vereist, zij het dat de regering erop heeft gewezen dat het opzeggen in strijd met de daarvoor geldende regels de werkgever ernstig valt aan te rekenen (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 4, p. 61). Daarmee is de grondslag voor het toekennen van een billijke vergoeding in beginsel gegeven.

Hoogte billijke vergoeding

De kantonrechter acht het echter alleszins aannemelijk dat indien de Stichting UWV om toestemming had gevraagd, de Stichting deze toestemming zou hebben verkregen waarna de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig had kunnen worden opgezegd. Bij brief van 21 oktober 2016 heeft de gemachtigde van werkneemster nogmaals – in navolging van werkneemster in haar brief van 30 september 2016 – gemeld dat de Stichting een transitievergoeding en een vergoeding ter zake niet genoten verlofuren verschuldigd is aan werkneemster. In reactie hierop heeft de Stichting meegedeeld dat zij uiterlijk 7 november 2016 zou reageren, maar vervolgens niets meer van zich laten horen. De Stichting is evenmin ter zitting verschenen om haar standpunt toe te lichten. Deze houding voedt de gedachte dat de Stichting wat betreft de financiële afwikkeling van het dienstverband van werkneemster ‘de kop in het zand steekt’. De door werkneemster gevorderde billijke vergoeding van € 14.128 bruto acht de kantonrechter voor een geval als het onderhavige evenwel bovenmatig. Gegeven voormelde omstandigheden en alles afwegende, is een billijke vergoeding van € 1000 bruto in dit geval redelijk. Voorts wordt een vergoeding van € 5620,49 bruto ter zake niet genoten verlofuren toegekend.