Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Bergen op Zoom), 15 februari 2017
ECLI:NL:RBZWB:2017:1155
Nuplex Resins B.V./werkneemster
Feiten
Werkneemster is op 1 november 1987 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Nuplex. Tussen partijen is een arbeidsconflict ontstaan. Op 26 oktober 2016 heeft Nuplex werkneemster een concept-vaststellingsovereenkomst toegezonden en haar geadviseerd over dit voorstel juridisch advies in te winnen. De (toenmalige) gemachtigde van werkneemster heeft – nadat hij op 18 oktober 2016 bezwaar had gemaakt tegen het voorstel tot beëindiging van het dienstverband – bij e-mail van 9 november 2016 gevraagd het voorstel nader toe te lichten en op punten aan te passen. Nuplex heeft dat bij brief van 10 november 2016 gedaan. Na e-mailcorrespondentie tussen de gemachtigden van partijen heeft de gemachtigde van werkneemster op 28 november 2016 aan de gemachtigde van Nuplex kenbaar gemaakt dat werkneemster akkoord ging met het laatst toegezonden concept van de vaststellingsovereenkomst. Op 2 december 2016 heeft de (toenmalige) gemachtigde van werkneemster aan de gemachtigde van Nuplex geschreven: ‘Op 28 november jl. is er overeenstemming bereikt over de vertrekregeling. Die datum dient uiteraard in de vso te worden opgenomen, ook al vindt de ondertekening kennelijk noodgedwongen later plaats.’ Op 13 december 2016 heeft de huidige gemachtigde van werkneemster aan de gemachtigde van Nuplex medegedeeld dat werkneemster niet instemde met de inhoud van de vaststellingsovereenkomst. In reactie daarop heeft de gemachtigde van Nuplex, kort gezegd, laten weten dat de bedenktermijn inmiddels was verstreken en dat zij werkneemster aan haar instemming wenste te houden. Nuplex verzoekt te verklaren voor recht dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 april 2017 ten einde zal komen als gevolg van een rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Voorts heeft Nuplex een voorwaardelijk ontbindingsverzoek ingediend. Werkneemster voert verweer en heeft bij wege van een (voorwaardelijk) zelfstandig tegenverzoek verzocht de (dan) tussen partijen geldende vaststellingsovereenkomst te vernietigen.
Oordeel
Voorvragen
Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van de zaak, heeft de kantonrechter partijen voorgehouden dat hij zich geplaatst ziet voor een tweetal juridische (voor)vragen, te weten of de door Nuplex verzochte verklaring voor recht wel mogelijk is in het kader van de onderhavige verzoekschriftprocedure, alsmede of de in het kader van het (voorwaardelijk) tegenverzoek door werkneemster verzochte vernietiging van de vaststellingsovereenkomst wel in de onderhavige verzoekschriftprocedure kan worden beoordeeld. Gesteld zou immers kunnen worden dat daarmee de (op zich genomen ruime) grenzen van artikel 7:686a BW worden overschreden. Partijen hebben vervolgens gezamenlijk aan de kantonrechter verzocht – onder het voorbehoud van hoger beroep – de vraag of tussen hen een rechtsgeldige (onherroepelijke) vaststellingsovereenkomst tot beëindiging van het dienstverband tot stand is gekomen, alsmede – indien voormelde vraag bevestigend wordt beantwoord – de vraag of er redenen zijn om die vaststellingsovereenkomst te vernietigen, op de voet van artikel 96 Rv te beslechten. De voormelde kwesties in het kader van de thans voorliggende zaak tussen partijen behoeven geen beantwoording meer.
Schriftelijkheidsvereiste
De kantonrechter is van oordeel dat het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:670b BW niet zover gaat dat de bedenktijd pas gaat lopen na ondertekening door partijen van de beëindigingsovereenkomst. Een zo vergaande afwijking van het reguliere contractenrecht en het systeem van aanbod en aanvaarding zou, zo de wetgever dat heeft bedoeld, in de wet of in ieder geval in de wetsgeschiedenis zijn genoemd. De kantonrechter sluit zich aan bij het oordeel van zijn ambtgenoot (Ktr. Leiden 7 december 2016, AR 2016-1398) en maakt dit tot het zijne. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de e-mailcorrespondentie tussen (de gemachtigden van) partijen dat zij op 28 november 2016 schriftelijk overeenstemming hebben bereikt over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Er was immers overeenstemming bereikt over de inhoud van de beëindigingsovereenkomst, zoals ook met zoveel woorden is bevestigd in het e-mailbericht van (de toenmalige gemachtigde van) werkneemster van 2 december 2016. Dat betekent dat de in artikel 7:670b BW bedoelde bedenktermijn van 14 dagen op 28 november 2016 is gaan lopen en dat die termijn op 13 december 2016, de dag waarop de huidige gemachtigde van werkneemster aan Nuplex berichtte dat werkneemster het niet eens was met de inhoud van de (concept-)vaststellingsovereenkomst, reeds was verstreken. De door Nuplex verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen.
Geen vernietiging van de vaststellingsovereenkomst (voorwaardelijk tegenverzoek)
In het onderhavige geval hebben partijen gezamenlijk besloten de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst te beëindigen. Die beslissing, en de gevolgen daarvan (bestaande onder meer uit toekenning aan werkneemster van een vergoeding), kan derhalve niet met een beroep op artikel 7:904 BW ongedaan worden gemaakt. Door middel van een vaststellingsovereenkomst binden partijen zich juist, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken, zoals artikel 7:900 BW dat formuleert. Partijen zijn jegens elkaar aan de vaststelling gebonden, zelfs in het geval – achteraf oordelend – zou moeten worden vastgesteld dat, bijvoorbeeld, een door Nuplex ingediend ontbindingsverzoek wegens disfunctioneren van werkneemster kansloos zou zijn geweest. Indien werkneemster meende dat geen beëindiging van de arbeidsovereenkomst diende te volgen en/of dat de aan haar aangeboden vergoeding geen recht deed aan haar belangen, dan had zij niet moet instemmen met de inhoud van de vaststellingsovereenkomst en dat ondubbelzinnig aan haar gemachtigde kenbaar moeten maken, opdat die gemachtigde dat dan aan Nuplex had kunnen mededelen om eventueel nader over pijnpunten te onderhandelen, of om mede te delen dat – indien Nuplex niet terug zou komen op haar wens tot beëindiging van het dienstverband – de weg naar de kantonrechter onvermijdelijk was.
Geen (onderbouwd) beroep op wilsgebrek
De kantonrechter overweegt volledigheidshalve nog dat een rechtshandeling vernietigbaar is, wanneer zij onder invloed van een wilsgebrek (bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden – zie art. 3:44 BW) of dwaling (zie art. 6:228 BW) tot stand is gekomen. Vernietiging van een rechtshandeling op grond van een van deze wilsgebreken vergt een expliciet beroep daarop door betrokkene, alsmede een gemotiveerde onderbouwing. Werkneemster heeft een dergelijk expliciet (onderbouwd) beroep niet gedaan. Het verzoek van werkneemster tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst wordt afgewezen.