Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 3 maart 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:1794
werkneemster/Stichting Algemeen Christelijk Ziekenhuis Groningen, h.o.d.n. Martini Ziekenhuis
Feiten
Werkneemster is sinds 1996 in dienst bij Stichting Algemeen Christelijk Ziekenhuis Groningen (hierna: het ziekenhuis) in de functie van medisch secretaresse. De leidinggevende van werkneemster heeft sinds 2012 meerdere malen fouten van werkneemster geconstateerd. Er hebben gesprekken plaatsgevonden over een verbetertraject voor werkneemster. Op 12 januari 2015 heeft werkneemster zich ziek gemeld met spanningsklachten. Het ziekenhuis heeft haar vervolgens meerdere malen uitgenodigd voor een gesprek over haar re-integratie. Zij is op geen van deze uitnodigingen ingegaan. Het ziekenhuis verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van een dringende reden, dan wel veranderingen in de omstandigheden als bedoeld in artikel 7:685 lid 2 (oud) BW, zonder toekenning aan werkneemster van enige vergoeding. De kantonrechter heeft het ontbindingsverzoek toegewezen. Tegen dit vonnis komt werkneemster in hoger beroep. Zij legt aan haar appel ten grondslag dat de kantonrechter bij het nemen van zijn beslissing fundamentele rechtsbeginselen heeft geschonden. Werkneemster beroept zich daarmee op door de Hoge Raad erkende doorbrekingsgronden van het rechtsmiddelenverbod van artikel 7:685 lid 11 (oud) BW.
Oordeel
Geen doorbrekingsgronden
Door het bewijsaanbod en het verzoek van werkneemster tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor te passeren, heeft de kantonrechter niet een fundamenteel rechtsbeginsel geschonden. De kantonrechter heeft zijn beslissing gemotiveerd, door te overwegen dat door werkneemster geen enkele concrete aanleiding is genoemd op grond waarvan van het ziekenhuis verlangd had kunnen worden onderzoek te doen naar een pest- en roddelcampagne, dat de pest- en roddelcampagne pas sinds februari 2015 wordt genoemd en dat werkneemster geen concrete omstandigheden heeft gesteld waarover getuigen gehoord zouden kunnen worden. Hieruit blijkt dat de kantonrechter de argumenten van werkneemster in eerste aanleg heeft gewogen, maar te licht heeft bevonden. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor kan echter niet worden gesproken. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat het ziekenhuis zich niet verzette tegen een andersluidende beslissing van de kantonrechter, leidt dit niet tot een ander oordeel. Het is immers aan de rechter om te beslissen of een bewijsaanbod voldoende concreet en ter zake dienend is. De beslissing van de kantonrechter om het bewijsaanbod en het verzoek van het voorlopig getuigenverhoor van werkneemster te passeren is ook niet onbegrijpelijk tegen de achtergrond van de aard van de ontbindingsprocedure zoals die vóór 1 juli 2015 was ingericht. Die procedure was gericht op een spoedige beslissing en leende zich niet voor (uitvoerige) bewijslevering. Hierbij moet worden bedacht dat de in een ontbindingsprocedure aangenomen feiten geen gezag van gewijsde krijgen. Naar vaste rechtspraak wettigt de aard van de ontbindingsprocedure niet te aanvaarden dat in een volgend geding bindende kracht toekomt aan beslissingen van de kantonrechter die niet de ontbinding en de naar billijkheid toe te kennen vergoeding betreffen. Het staat de rechter in een eventueel volgend geding dan ook vrij anders te oordelen dan de kantonrechter heeft gedaan over de relevantie van de door werkneemster gestelde pest- en roddelcampagne en de bewijslevering daaromtrent. De kantonrechter kon het bewijsaanbod van werkneemster in de ontbindingsprocedure dan ook passeren zonder afbreuk te doen aan de processuele positie van werkneemster in de zaak met nummer 4127785 CV 15-6049. Dat de kantonrechter in zijn beslissing de VIM-meldingen heeft meegewogen zonder nader onderzoek te hebben verricht naar de door werkneemster betwiste toelaatbaarheid van het gebruik van die meldingen, behoort tot de vrijheid die een rechter gelaten dient te worden bij zijn oordeelvorming. Klachten daarover moeten worden beschouwd als motiveringsklachten die geen grond bieden voor doorbreking van het appelverbod. Werkneemster heeft voorts betoogd dat de kantonrechter ten onrechte feiten heeft aangevuld door te veronderstellen en zelf in te vullen wat de arboarts heeft bedoeld in zijn e-mail van 21 april 2015. Zelfs indien de kantonrechter bij het geven van zijn beslissing zou zijn uitgegaan van een feitelijke vaststelling die afwijkt van hetgeen werkneemster heeft gesteld, betekent dit niet dat de kantonrechter een fundamenteel rechtsbeginsel zoals dat van hoor en wederhoor heeft veronachtzaamd. Van dit laatste zou wel sprake zijn indien de kantonrechter tot een feitenvaststelling zou zijn gekomen door zich ambtshalve, buiten partijen om, in een onderzoek aangaande de feiten te begeven, zonder partijen in de gelegenheid te stellen zich omtrent de uitkomst van zodanig onderzoek uit te laten. Daarvan is in dit geval echter geen sprake. De kantonrechter heeft in de aangehaalde rechtsoverweging niet aan feitenvaststelling gedaan, maar slechts de wat hem betreft meest plausibele uitleg gegeven aan hetgeen partijen hebben gesteld over de achtergrond van het advies van de arboarts om snel ‘naar een oplossing te zoeken’. Volgt verwerping van het hoger beroep.