Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werkneemster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 1 maart 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:1089

werkgeefster/werkneemster

Werkgeefster als gevolg van verstrijken vervaltermijn niet ontvankelijk in verzoek tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding.

Feiten

Werkneemster is in dienst in de functie van Algemeen Directeur. Op enig moment is er tussen partijen een verschil van inzicht ontstaan over de uitvoering van de werkzaamheden door werkneemster. Een door partijen geplande afspraak op 14 december 2015 om 15:00 uur heeft geen doorgang gevonden. Enkele uren voorafgaand aan dit gesprek is de situatie tussen partijen ernstig geëscaleerd. Werkneemster heeft bij de politie aangifte gedaan van mishandeling door B, aandeelhouder van werkgeefster. B heeft de door werkneemster gestelde gang van zaken uitdrukkelijk betwist. Op 15 januari 2016 is werkneemster op staande voet is ontslagen. Werkneemster heeft aanvankelijk bezwaar gemaakt tegen het ontslag op staande voet, maar heeft er uiteindelijk in berust. Werkgeefster verzoekt veroordeling van werkneemster tot betaling van een bedrag van € 9234 ter zake van gefixeerde schadevergoeding omdat werkneemster door haar opzet of schuld aan werkgeefster een dringende reden heeft gegeven om haar op staande voet te ontslaan.

Oordeel

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW geldt voor een verzoek tot vergoeding in verband met schadeplichtigheid ten gevolge van een ontslag op staande voet een vervaltermijn van twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Vast staat dat werkgeefster binnen de vervaltermijn niet een dergelijk verzoek tot vergoeding heeft gedaan. De mogelijkheid om een verzoekschrift strekkende tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding in te dienen is derhalve komen te vervallen. Werkgeefster wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering/verzoek tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding.