Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 8 maart 2017
ECLI:NL:RBNNE:2017:828
werkneemster/werkgever
Feiten
Werkneemster is op 8 december 2016 op staande voet ontslagen wegens haar ‘ongeoorloofde afwezigheid en onverantwoorde alcoholgebruik’. Werkneemster verzoekt loondoorbetaling.
Oordeel
De gemachtigde van werkneemster heeft bij brief van 16 december 2016 namens werkneemster de nietigheid van het gegeven ontslag buitengerechtelijk ingeroepen. Ingevolge artikel 7:681 lid 1 BW (zoals dit reeds sedert 1 juli 2015 luidt) kan een werknemer een in zijn visie niet rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst niet zelf, buitengerechtelijk, vernietigen, maar dient de desbetreffende werknemer zich tot de kantonrechter te wenden met een verzoek om de opzegging te vernietigen (of aan hem een billijke vergoeding toe te kennen). Artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW bepaalt voorts dat de bevoegdheid om een dergelijk verzoek bij de kantonrechter in te dienen vervalt twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Dit is een – gelet op het belang van de rechtszekerheid dat speelt bij vervaltermijnen – strikte, dwingendrechtelijke termijn, die anders dan bij een verjaringstermijn, niet kan worden gestuit, geschorst of verlengd. Door het verstrijken van de vervaltermijn gaat niet alleen de rechtsvordering teniet, maar ook het recht zelf. Gezien het belang van deze bepaling wordt door de kantonrechter ambtshalve bezien of van een zodanig verval sprake is. Voor de onderhavige zaak betekent voornoemde bepaling dat de vervaltermijn is gaan lopen de dag nadat de arbeidsovereenkomst door werkgever is beëindigd, derhalve op 9 december 2016 en dat die vervaltermijn is geëindigd op 9 februari 2017. Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig vernietigd door de brief van 16 december 2016 omdat een buitengerechtelijke vernietiging sedert 1 juli 2015 niet langer mogelijk is. Evenmin kan in het onderhavige verzoek tot loondoorbetaling impliciet een verzoek tot vernietiging van het ontslag worden gelezen, nu de vordering slechts ziet op betaling van loon en in het verzoek de (onmogelijke) buitengerechtelijke vernietiging als motivering van die vordering wordt aangevoerd. Evenmin is er ruimte voor aanvulling van het verzoek ter zitting met een verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet in rechte omdat het daarvoor, gezien de vervaltermijn, simpelweg te laat is. Het recht van werkneemster om de in haar ogen niet geldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan te tasten is derhalve tenietgegaan. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 8 december 2016 definitief is geëindigd en dat werkneemster met toepassing van artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW niet-ontvankelijk is in haar verzoek.