Naar boven ↑

Rechtspraak

GMH Benelux B.V./werknemer
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 27 december 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:3727

GMH Benelux B.V./werknemer

Schorsing concurrentiebeding. Werkgever heeft nagelaten in arbeidsovereenkomst duidelijk te omschrijven wat de werkzaamheden van werknemer waren en wat dus onder het bereik van het concurrentiebeding viel. Onbillijke benadeling werknemer.

Feiten

Werknemer is per 1 december 2012 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij GMH. In de arbeidsovereenkomst is een non-concurrentiebeding opgenomen. In eerste aanleg heeft GMH bij wijze van voorlopige voorziening gevorderd dat werknemer zal worden veroordeeld tot onverkorte nakoming van het non-concurrentiebeding. Werknemer heeft in reconventie gevorderd dat hij bij wijze van voorlopige voorziening zal worden ontheven uit het non-concurrentiebeding, dan wel dat dit beding zal worden geschorst, een en ander vooruitlopend op de bodemprocedure tot vernietiging van het beding op grond van artikel 7:653 BW. De kantonrechter heeft ter zake van de vordering tot naleving van het non-concurrentiebeding overwogen dat GMH onvoldoende heeft aangevoerd om tot het oordeel te komen dat van haar niet mag worden verwacht dat zij een bodemprocedure afwacht. Deze vordering is daarom afgewezen. Verder acht de kantonrechter het aannemelijk dat de rechter in een bodemprocedure het non-concurrentiebeding (gedeeltelijk) zal vernietigen omdat de belangen van werknemer zwaarder wegen dan de belangen van GMH. De kantonrechter heeft daarom het non-concurrentiebeding geschorst. Tegen dit oordeelt keert GMH zich in hoger beroep.

Oordeel

Op deze kwestie is artikel 7:653 BW van toepassing zoals dit gold voor de inwerkingtreding van de WWZ, nu de arbeidsovereenkomst is gesloten voor 1 januari 2015. Het hof stelt, in het kader van de voorliggende voorlopige voorziening, het volgende voorop. Het non-concurrentiebeding is weliswaar in tijd beperkt, maar heeft overigens een ruim toepassingsbereik. De schriftelijke arbeidsovereenkomst vermeldt dat werknemer de functie van machinist vervulde, maar in werkelijkheid waren zijn werkzaamheden veel breder. Het non-concurrentiebeding is – blijkens haar tekst – in beginsel ook op al deze andere werkzaamheden van toepassing. Voorts constateert het hof dat GMH heeft nagelaten om in de schriftelijke arbeidsovereenkomst duidelijk te omschrijven wat de werkzaamheden van werknemer waren en wat dus onder het bereik van het concurrentiebeding viel. De consequenties van het beding waren voor werknemer daarom niet op voorhand duidelijk. Tot slot volgt uit de tekst van het onderhavige concurrentiebeding dat het ook van toepassing is als werknemer in dienst treedt bij een bedrijf waarmee GMH niet of niet noemenswaardig concurreert. Concreet betekent, naar het voorlopig oordeel van het hof, de onverkorte toepassing van het concurrentiebeding dat werknemer – gezien de functie die hij volgens GHM in januari 2013 reeds vervulde en de wijze waarop deze zich naderhand heeft ontwikkeld – op grond van het non-concurrentiebeding geen werkzaamheden zou mogen verrichten (bij welk bedrijf in Nederland dan ook) als machinist/vakinhoudelijk leidinggevende, als opleider/examinator in de spoorwereld, als ontwikkelaar van software voor simulatoren en als specialist op gebied van spoorbeveiliging en ERTMS. Naar het oordeel van het hof wordt werknemer aldus aanzienlijk benadeeld in zijn arbeidsmobiliteit en de mogelijkheden zijn positie te verbeteren. Daar komt bij dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat GMH een voldoende zwaarwegend belang heeft bij de onverkorte nakoming van het concurrentiebeding. GMH stelt weliswaar dat zij veel tijd en geld heeft besteed aan het opleiden van werknemer tot ERTMS-specialist, maar werknemer heeft dit bestreden. Verder acht het hof van belang dat de opleidingsactiviteiten die werknemer thans verricht, niet de corebusiness van GMH vormen. De conclusie is dat de kantonrechter terecht het non-concurrentiebeding bij wijze van voorlopige voorziening heeft geschorst. Uit het vorenstaande vloeit voort dat GMH op dit moment geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering tot naleving van het concurrentiebeding. Hetzelfde geldt voor haar vordering tot betaling van een voorschot op de volgens GMH verschuldigde schadevergoeding. De grieven falen.