Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 15 februari 2017
ECLI:NL:RBGEL:2017:1419
Recticel B.V./Federatie Nederlandse Vakbeweging
Feiten
Recticel houdt zich bezig met de productie en de verkoop van polyurethaanschuim ten behoeve van onder andere (producenten van) matrassen, meubels en (geluids)isolatie. Sinds april 2016 hebben partijen diverse malen met elkaar gesproken over een nieuwe cao. Op 14 december 2016 heeft vanaf 22:00 uur een 24 uursstaking plaatsgevonden bij Recticel. Op 7 en 8 februari 2017 hebben partijen de mogelijkheid besproken om al dan niet met een bemiddelaar opnieuw te onderhandelen. Ten tijde van de behandeling van het kort geding op 15 februari 2016 liep er een nieuwe staking. Recticel vordert onder meer dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis FNV verbiedt om gedurende een periode van drie maanden enige vorm van collectieve actie in verband met het thans tussen partijen bestaande cao-conflict te organiseren, daartoe op te roepen of daaraan medewerking of steun te verlenen. FNV voert verweer.
Oordeel
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van Recticel en is ook niet door FNV betwist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat FNV terecht erop heeft gewezen dat er sinds 1 januari 2016 geen cao meer bestaat. In dit geval is in de Recticel-cao bepaald dat de overeenkomst van kracht is voor de periode 1 april 2014 tot en met 31 december 2015 en dat beëindiging geschiedt van rechtswege zonder dat opzegging is vereist. Na 31 december 2015 was er dus geen sprake meer van een Recticel-cao. Van handelen in strijd met die cao kan dus ook geen sprake (meer) zijn. Met artikel 6 aanhef en lid 4 ESH erkennen de lidstaten, waaronder Nederland, het recht van werknemers en werkgevers op collectief optreden in gevallen van belangengeschillen, met inbegrip van het stakingsrecht, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten. Of sprake is van een collectieve actie in de zin van dit artikel wordt vooral bepaald door het antwoord op de vraag of de actie redelijkerwijs kan bijdragen tot de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Recticel betwist dat de onderhavige collectieve acties vallen onder het bereik van artikel 6 aanhef en lid 4 ESH. Gegeven de terughoudendheid die de voorzieningenrechter in dit soort zaken moet betrachten, heeft FNV met het voorgaande voldoende aannemelijk gemaakt dat de acties redelijkerwijs kunnen bijdragen aan de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. De collectieve acties zullen Recticel kunnen prikkelen om te bewegen richting FNV. Hierbij is van belang dat het waarborgen van een doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen niet is het waarborgen van een uitkomst, maar het zekerstellen van het recht op collectief onderhandelen. Dit betekent dat de collectieve acties van FNV in beginsel rechtmatig zijn. Ten slotte stelt Recticel dat de collectieve acties van FNV onrechtmatig zijn omdat zij in strijd zijn met artikel G ESH. De collectieve acties zijn aangekondigd door FNV. De eis van Recticel dat elke staking opnieuw formeel moet worden aangekondigd, vindt geen steun in het recht. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vraag of een staking in een concreet geval als ultimum remedium is gehanteerd, door de rechter met terughoudendheid dient te worden beantwoord, nu het immers in beginsel aan de vakbond is om te beoordelen of partijen zijn uitonderhandeld. FNV heeft ter zitting in dit verband gesteld dat partijen op meerdere momenten met elkaar hebben onderhandeld, waarvoor ruim de tijd is genomen. Zij kwamen evenwel niet tot een vergelijk, waarna is geconcludeerd dat partijen waren uitonderhandeld. Een en ander leidde uiteindelijk tot het stellen van een ultimatum. De (hernieuwde) mogelijkheid tot onderhandelen is dus weliswaar genoemd, maar partijen hebben daaraan niet concreet uitvoering gegeven. De voorzieningenrechter gaat dan ook voorbij aan de stelling van Recticel dat FNV het middel van staking te snel heeft ingezet. Het is inherent aan collectieve acties zoals de onderhavige stakingen dat deze nadelige financiële gevolgen hebben voor een onderneming en mogelijk ook haar klanten. Dit maakt immers dat de met een staking beoogde prikkel voldoende effect heeft. De grens ligt daar waar een onderneming wordt kapot gestaakt. Van zo’n situatie is naar het oordeel van de voorzieningenrechter thans nog geen sprake. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de door Recticel gememoreerde incidenten niet toelaatbaar. FNV heeft in dit verband ook erkend dat er enkele fouten zijn gemaakt. Zij heeft beterschap beloofd, hetgeen zij tot op heden lijkt waar te hebben gemaakt, nu er na 14 december 2016 nog verschillende collectieve acties hebben plaatsgevonden waarbij zich kennelijk geen incidenten hebben voorgedaan. Alles overziend is de voorzieningenrechter van oordeel dat op dit moment, in de gegeven omstandigheden, maatschappelijk bezien geen dringende noodzaak bestaat om de uitoefening van het recht op collectieve actie door FNV te beperken. Daarmee zijn de stakingen niet onrechtmatig jegens Recticel en is er geen grond om deze te verbieden.