Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 15 maart 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:2343

werknemer/werkgever

Beroep werkgever op verrekening afgewezen. Verklaring voor recht dat werkgever onverschuldigd heeft betaald eveneens afgewezen. Geen onverschuldigdheid, nu wel sprake is van een rechtsgrond, te weten betalingen aan werknemer ter compensatie van gelegde loonbeslagen. Zie ook AR 2017-0299.

Feiten

Werknemer is van 1 april 2013 tot 31 juli 2016 als expediteur in dienst geweest van werkgever. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd op 31 juli 2016. Werknemer vordert thans veroordeling van werkgever tot betaling van achterstallig salaris en een eindafrekening. Werkgever vordert onder meer een verklaring voor recht dat werkgever een bedrag van € 5875,28 onverschuldigd heeft betaald aan werknemer.

Oordeel

Verrekening loon en vakantiegeld

Naar het oordeel van de kantonrechter zijn partijen het erover eens dat werkgever aan werknemer nog een bedrag van € 4174,68 bruto, zijnde € 2788,90 netto, aan loon en vakantiegeld dient te voldoen, zodat dat bedrag in conventie in beginsel toewijsbaar is. In conventie doet werkgever echter uitdrukkelijk een beroep op verrekening van dit bedrag met een tegenvordering die werkgever op werknemer stelt te hebben. Conform het bepaalde in artikel 6:136 BW kan van een succesvol beroep op verrekening slechts sprake zijn indien deze tegenvordering erkend wordt door de wederpartij, dan wel indien deze op eenvoudige wijze is vast te stellen. Zowel dat eerste als dat laatste is naar het oordeel van de kantonrechter in casu niet het geval. Het door werkgever gedane beroep op verrekening wordt dan ook gepasseerd. Voornoemd totaalbedrag zal worden toegewezen.

Onverschuldigde betaling

In reconventie is aan de orde de gevorderde verklaring voor recht dat werkgever het bedrag van € 5875,28 onverschuldigd heeft voldaan aan werknemer. Werkgever heeft deze vordering echter onderbouwd door te stellen dat er wél een rechtsgrond aanwezig was, namelijk een tussen partijen gemaakte afspraak, inhoudende betaling door werkgever aan werknemer ter compensatie van gelegde loonbeslagen. Dat er een betalingsafspraak bestond is door werknemer erkend, zodat er daarmee naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake kan zijn van het ‘zonder rechtsgrond geven’. Met andere woorden: er is geen sprake van onverschuldigdheid. Dat partijen van mening verschillen over het vervolg van die betalingen (lenen dan wel geen lening c.q. terugbetalen naderhand of niet) doet immers aan de afspraak om die bedragen te betalen niet af. Dat die betaalde bedragen werknemer niet toekomen, in de optiek van werkgever, vloeit voort uit haar standpunt dat er sprake is van een lening, en dat die bedragen ‘retour moeten’ naar werkgever en daarmee gevoelsmatig onverschuldigd zijn, is een andere kwalificatie dan het juridisch onverschuldigd zijn. Een verklaring voor recht dat er sprake is van een lening, is echter niet ingesteld. De vordering in reconventie wordt dan ook afgewezen.