Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 22 maart 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:2613
werkneemster/werkgeefster
Feiten
Werkneemster is van 3 december 2013 tot 3 december 2015 in dienst geweest in de functie van algemeen medewerker. Partijen hebben in de arbeidsovereenkomst de Cao voor de Textielverzorging van toepassing verklaard. Werkneemster heeft zich op 14 september 2015 ziek gemeld. De betreffende e-mail vermeldt als tekst: ‘Ik ben zoals dat heet situationeel ziek. Met andere woorden: ik zal morgen dus niet komen.’De arbeidsovereenkomst is van rechtswege geëindigd op 3 december 2015. Werkneemster vordert betaling van achterstallig salaris over de periode 16 juni 2015 tot en met 14 september 2015 en over de periode van 14 september 2015 tot en met 3 december 2015.
Oordeel
Periode 16 juni 2015 tot en met 14 september 2015
Werkneemster stelt dat zij vanaf half juni 2015 enkel nog werd opgeroepen voor de overeengekomen uren, zijnde drie uur per week en dat zij de drie maanden daaraan voorafgaand gemiddeld 23,5 uren werkzaam was. Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 7:610b BW maakt werkneemster aanspraak op een vaste arbeidsomvang van 23,5 uur per week. Werkgeefster is van mening dat zij op basis van de cao enkel gehouden is tot betaling van het loon over de daadwerkelijk gewerkte uren. Voor wat betreft de periode van 3 december 2014 tot en met 30 juni 2015 was de Cao Textielverzorging van toepassing, die liep van 1 juli 2013 tot en met 30 juni 2015. Ingevolge artikel XXIIa WWZ is op deze cao ook na 1 januari 2015 het vóór 1 januari 2015 geldende recht van toepassing en wel – in dit geval – tot aan het einde van de looptijd van de cao, dus tot 30 juni 2015. Op grond van de leden 5 tot en met 7 van artikel 7:628 (oud) BW kan van het eerste lid van dat artikel bij cao ten nadele van de werknemer worden afgeweken. Het standpunt van werkgeefster wordt gevolgd. Werkneemster heeft over de periode tot en met 30 juni 2015 geen recht heeft op loon over niet daadwerkelijk gewerkte uren.
Van 1 juli 2015 tot en met 2 december 2015 geldt de Cao Textielverzorging, die is ingegaan op 1 juli 2015 en nu nog loopt. Op deze cao is het op 1 januari 2015 geldende recht van toepassing. Dit recht kent in de leden 5 tot en met 7 van artikel 7:628 BW eveneens de mogelijkheid van het eerste lid van dat artikel af te wijken. De kantonrechter stelt vast dat artikel 9, behoudens lid 3 onderdeel d, dat is geschrapt, van de betreffende cao, gelijkluidend is aan artikel 9 van de oude cao. Nu werkgeefster niets heeft gesteld over de uitleg van deze cao, gaat de kantonrechter ervan uit dat niet langer is beoogd de in de leden 5 tot en met 7 bedoelde afwijkingsmogelijkheid te bieden. Anders dan werkgeefster is de kantonrechter van oordeel dat artikel 7:610b BW niet enkel met terugwerkende kracht kan worden toegepast tot aan de datum waarop werkneemster om toepassing van artikel 7:610b BW heeft verzocht. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 april 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW0017) immers beslist dat vaststelling van de arbeidsomvang met terugwerkende kracht mogelijk is. Volgens de Hoge Raad is een beperking van de terugwerkende kracht op grond van de omstandigheden evenwel mogelijk. Gelet op de lengte van het dienstverband is een referteperiode van zes maanden voor de toepassing van artikel 7:610b BW redelijk. De arbeidsomvang wordt vastgesteld op 19,86 uur per week en wel met ingang van 16 juni 2015. Niet is komen vast te staan dat werkneemster jegens werkgeefster een beroep op een opschortingsrecht ten aanzien van de door haar te verrichten arbeid heeft gedaan, naar aanleiding waarvan werkgeefster als goed werkgever maatregelen had moeten treffen ten aanzien van de arbeidsomstandigheden, wat zij heeft nagelaten. Nu dit alles niet is komen vast te staan, kan niet worden geoordeeld dat werkneemster het werk niet heeft gedaan als gevolg van een oorzaak die voor rekening van werkgeefster komt. Dit deel van de vordering van werkneemster wordt afgewezen.
Periode 14 september 2015 tot en met 3 december 2015
De vordering tot betaling van achterstallig salaris over de periode van 14 september 2015 tot en met 3 december 2015 wordt afgewezen. In feite stelt werkneemster dat er tussen partijen een verstoorde arbeidsverhouding was ontstaan, waardoor zij zich niet meer in staat achtte om te gaan werken. Volgens het door de Hoge Raad op 27 juni 2008 gewezen arrest (JAR 2008/10) betekent dit dat werkneemster moet stellen en bewijzen dat de arbeidsomstandigheden, door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van werkgeefster behoort te komen, dusdanig waren dat, met het oog op de (dreiging van) psychische en lichamelijke klachten, van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat zij haar werkzaamheden zou verrichten. Werkgeefster betwist dat sprake was van situatieve arbeidsongeschiktheid. Gelet op deze betwisting had werkneemster haar stelling nader moeten onderbouwen, bijvoorbeeld met een medische verklaring van haar huisarts. Nu zij dit niet heeft gedaan, dient haar stelling dat sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid te worden gepasseerd. Als gevolg daarvan kan niet komen vast te staan dat werkneemster het werk niet heeft gedaan als gevolg van een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van werkgeefster dient te komen.