Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 14 maart 2017
ECLI:NL:RBROT:2017:1931
werknemer/TBS-Group GmbH
Feiten
Werknemer is in 1997 in dienst getreden bij (een rechtsvoorganger van) TBS-Group GmbH (hierna: TBS) in de functie van werkplaatsmedewerker. In de arbeidsovereenkomst staat een gratificatieregeling opgenomen. Het UWV heeft aan TBS op 9 augustus 2016 toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met werknemer op te zeggen. Daarnaast is door het UWV aan TBS een verklaring Overbruggingsregeling afgegeven, als gevolg waarvan de periode dat werknemer in dienst was vóór 1 mei 2013 niet hoeft te worden meegeteld voor de berekening van de transitievergoeding. TBS heeft per brief van 16 augustus 2016 de arbeidsovereenkomst met werknemer opgezegd tegen 20 september 2016. TBS heeft aan werknemer een bedrag van € 1926,33 aan transitievergoeding betaald. Werknemer verzoekt thans TBS te veroordelen tot betaling aan hem van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, gratificaties over de jaren 2012 tot en met 2016, alsmede de transitievergoeding ten bedrage van € 27.742,67.
Oordeel
Vergoeding wegens onregelmatige opzegging
Nu de in acht te nemen opzegtermijn vier maanden bedraagt had de arbeidsovereenkomst door TBS, rekening houdend met de aftrek van de duur van behandeling van de ontslagvergunning, eerst tegen 1 december 2016 kunnen worden opgezegd. TBS heeft dan ook onregelmatig opgezegd. Een vergoeding wegens onregelmatige opzegging ter hoogte van € 6512 bruto is toewijsbaar.
Gratificaties
Door TBS is op zichzelf niet betwist dat werknemer op basis van de schriftelijke arbeidsovereenkomst recht had op een jaarlijkse gratificatie van een bruto maandsalaris. Door TBS is voorts ter gelegenheid van de mondelinge behandeling niet langer weersproken dat werknemer vanaf het jaar 2002, met uitzondering van het jaar 2006, deze gratificatie ook (ongeclausuleerd) heeft gekregen. Dat werknemer uit eigen beweging in 2006 heeft afgezien van de gratificatie, maakt niet dat hij op de gratificaties vanaf 2012 geen rechten meer kan doen gelden. De gevorderde gratificaties over de periode vanaf 2012 tot en met 2016 zijn dan ook toewijsbaar.
Transitievergoeding
Uit de door TBS in het geding gebrachte jaarstukken van haar Duitse bedrijfsvestiging over de boekjaren 2013, 2014 en 2015 blijkt dat respectievelijk een negatief resultaat van € 22.473, een positief resultaat van € 29.033 en een positief resultaat van € 21.972 is behaald, waarbij het resultaat reeds is verminderd met het gebruikelijke directeur-grootaandeelhouderloon als bedoeld in artikel 24 lid 3 van de Ontslagregeling. Uit de overgelegde jaarcijfers van de Nederlandse vestiging blijkt dat over de boekjaren 2013, 2014 en 2015 respectievelijk een negatief resultaat van € 8104, een negatief resultaat van € 6556 en een negatief resultaat van € 18.695 is behaald. Door de gehele groep is in ieder geval over de boekjaren 2014 en 2015 een positief bedrijfsresultaat van respectievelijk € 22.477 en € 3277 gehaald. TBS heeft daarmee niet voldaan aan de eerste van de in artikel 24 van de Ontslagregeling genoemde cumulatieve voorwaarden. De slotsom luidt dat TBS niet heeft voldaan aan de bepalingen in artikel 7:673d BW juncto artikel 24 van de Ontslagregeling en dat aan haar geen beroep toekomt op de Overbruggingsregeling. TBS is dan ook de (volledige) transitievergoeding op grond van artikel 7:673 lid 2 BW aan werknemer verschuldigd. Rekening houdend met het loon van € 3787,81 bruto, inclusief vakantiegeld en de gratificatie pro rata, bedraagt de transitievergoeding € 29.671,18. Daarop dient in mindering te strekken een bedrag van € 3516,48 bruto, waarvan TBS het netto-equivalent aan werknemer reeds heeft uitbetaald. De transitievergoeding is dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 26.154,70 bruto.