Naar boven ↑

Rechtspraak

Air Liquide Industrie B.V./werknemer
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 7 maart 2017
ECLI:NL:RBROT:2017:1996

Air Liquide Industrie B.V./werknemer

Uitbesteding werkzaamheden leidt tot verval arbeidsplaats werknemer. Feitelijke werkzaamheden komen niet meer overeen met huidige functie van dagdienstoperator. Ontbinding arbeidsovereenkomst toegewezen.

Feiten

Werknemer is op 1 april 1996 bij Air Liquide in dienst getreden en vervulde laatstelijk de functie van

dagdienstoperator. In 2013 is de organisatie binnen de Rozenburg-productieorganisatie gewijzigd.

Eind september 2016 heeft de directie van Air Liquide besloten de P&ID-werkzaamheden uit te besteden aan Vector Eyes B.V. Op 11 november 2016 heeft Air Liquide het UWV toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst met werknemer op te zeggen wegens bedrijfseconomische redenen. Bij beslissing van 5 januari 2017 heeft het UWV de door Air Liquide gevraagde toestemming geweigerd. Het verzoek van Air Liquide strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op grond van een redelijke grond, gelegen in bedrijfseconomische redenen, met compensatie van kosten.

Oordeel

Air Liquide heeft de gestelde uitbesteding van de P&ID-werkzaamheden in haar verzoek beschreven en zij heeft onder overlegging van stukken aannemelijk gemaakt dat deze uitbesteding leidt tot een efficiëntere en doelmatiger bedrijfsvoering onder meer vanwege de kostenbesparing en de focus op haar core business. Van een ongeloofwaardige en geconstrueerde redelijke grond, zoals door werknemer is aangevoerd, is dan ook geen sprake. Partijen zijn het erover eens dat werknemer voor zijn ziekmelding in 2009 werkzaam was als dagdienstoperator, een functie die werknemer op papier nog steeds heeft. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, is echter gebleken dat de functie van dagdienstoperator en het bijbehorende takenpakket sinds 2009 is gewijzigd door de organisatieverandering in 2013 en de uitbreiding van de Rozenburg-site met de Heracles productie-unit in 2015 waardoor het takenpakket van de huidige functie van dagdienstoperator complexer en uitgebreider is geworden dan voorheen het geval was. Kortom, hoewel werknemer op papier nog dagdienstoperator is, is hij gelet op de feitelijke vooral administratieve werkzaamheden die hij al jaren uitvoert, geen dagdienstoperator zoals deze functie tegenwoordig bestaat. Los van de vraag of de door werknemer verrichtte werkzaamheden dan geschaard kunnen worden onder de functie van P&ID-operator, staat vast dat zijn administratieve (P&ID) werkzaamheden door Air Liquide deels zijn uitbesteed aan een derde partij en deels zijn ondergebracht bij de dagdienstoperators waar het de assistentie bij grote onderhoudsstops betreft. Daarmee zijn de werkzaamheden van werknemer komen te vervallen. Uit het verschil in voornoemde werkzaamheden, competenties, vaardigheden, salaris en de mate van verantwoordelijkheid volgt dat de werkzaamheden van werknemer en de werkzaamheden behorend bij de functie van dagdienstoperator onderling niet uitwisselbaar zijn. Nu er geen andere werknemer binnen de Rozenburg-site is met hetzelfde takenpakket als werknemer kan toepassing van het afspiegelingsbeginsel achterwege blijven. Gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder het feit dat werknemer niet over alle vereiste diploma’s en ervaring beschikt voor de huidige vacatures binnen Air Liquide, heeft Air Liquide naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat herplaatsing van werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 1 in samenhang met lid 3 onderdeel a BW wordt toegewezen. Aan werknemer wordt dan ook een transitievergoeding van € 30.364,23 bruto toegekend en Air Liquide wordt veroordeeld tot betaling daarvan. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan werknemer een billijke vergoeding toe te kennen.