Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/ING Bank Personeel B.V.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 4 januari 2017
ECLI:NL:RBNNE:2017:884

werkneemster/ING Bank Personeel B.V.

Voortzetting van premievrije opbouw ouderdomspensioen levert een gelijkwaardige voorziening ex artikel 7:673b BW op. Gekeken moet worden naar het algemene financiële voordeel voor de werknemer. De werknemer hoeft niet direct te kunnen genieten van de voorziening.

Feiten

Werkneemster is op 30 januari 2016 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) ING. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO ING 2015-2017 (hierna: de cao) van toepassing. Werkneemster is sinds 20 november 2013 arbeidsongeschikt. Vanaf enig moment ontvangt zij een (vervroegde) IVA-uitkering. Na de daartoe verkregen vergunning heeft ING de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 1 augustus 2016, op grond van volledige arbeidsongeschiktheid die langer dan 104 weken heeft geduurd. ING heeft geen transitievergoeding aan werkneemster betaald. Op grond van artikel 6.4 van de cao heeft ING de opbouw van het ouderdomspensioen premievrij voortgezet. Werkneemster verzoekt veroordeling van ING tot betaling van de transitievergoeding. Aan dit verzoek legt zij ten grondslag dat de in artikel 6.4 van de cao neergelegde regeling niet een aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening is.

Oordeel

In artikel 6.4 van de cao is bepaald dat indien de werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is op grond van de Wet inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA) het dienstverband wordt beëindigd. Verder is bepaald dat, indien dat het geval is, de werknemer op grond van de reglementen van de basispensioenregeling in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidspensioen als aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering en voor een premievrije voortzetting van de opbouw van het ouderdomspensioen. Deze aanspraken worden in de cao, ook als het arbeidsongeschiktheidspensioen niet tot uitkering komt, aangemerkt als een gelijkwaardige voorziening als bedoeld in artikel 7:673b BW. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat er bij een gelijkwaardige voorziening sprake moet zijn van een voorziening in geld en/of natura die het equivalent vormt van hetgeen waarop een werknemer aanspraak kan maken op grond van de wettelijke regeling inzake de transitievergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat een belangrijke aanwijzing of er al dan niet sprake is van een gelijkwaardige voorziening in de bewoording ligt van de betreffende bepaling in de cao. In het onderhavige geval wordt in de cao bepaald dat de premievrije voortzetting van de opbouw van het ouderdomspensioen, ook als het arbeidsongeschiktheidspensioen niet tot uitkering komt, moet worden aangemerkt als een aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening. Daarnaast dient er naar het oordeel van de kantonrechter niet te worden gekeken naar het (eerste) moment van uitkering van deze vergoeding, maar naar het financiële voordeel dat de premievrije opbouw van het ouderdomspensioen voor de werknemer oplevert. In de wet is geen aanknopingspunt te vinden dat de werknemer direct moet kunnen genieten van de voorziening. Daar komt bij dat, doordat de werkgever de opbouw van het pensioen betaalt, dit de werknemer maandelijks een besparing oplevert. De voorziening zoals opgenomen in de cao is naar het oordeel van de kantonrechter collectief gelijkwaardig. Verder overweegt de kantonrechter dat artikel 7:673b BW bepaalt dat er sprake moet zijn van een gelijkwaardige voorziening die is opgenomen in de cao. Dat de voorziening tot premievrije voortzetting van de opbouw van het ouderdomspensioen voortvloeit uit de pensioenovereenkomst is hiervoor geen beletsel. Deze maakt immers, zo blijkt uit hoofdstuk 7 van de cao, integraal deel uit van de cao. De afspraak dat de aanspraak wordt aangemerkt als een gelijkwaardige voorziening is eveneens bij cao gemaakt. Alles overwegende is de kantonrechter van oordeel dat er sprake van een in een cao opgenomen aan een transitievergoeding gelijkwaardige voorziening ex artikel 7:673b BW. Op grond daarvan heeft werkneemster geen recht op de transitievergoeding.