Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 21 februari 2017
ECLI:NL:RBNNE:2017:1327
werkneemster/Stichting Zorggroep Groningen
Feiten
Werkneemster is sinds 1 april 1996 krachtens arbeidsovereenkomst bij ZGG in dienst, laatstelijk in de functie van verzorgende. Werkneemster is op enig moment arbeidsongeschikt geworden. Sindsdien verschillen partijen van mening over de wijze waarop re-integratie dient plaats te vinden. Tussen partijen is tevens een arbeidsconflict ontstaan. Op 2 augustus 2016 is werkneemster door ZGG uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van de Arbo-Unie op 4 augustus 2016 met als doel een inventarisatie te maken van de oorzaken van het door werkneemster ervaren arbeidsconflict. Werkneemster is noch bij de arbodienst noch bij Maartenshof verschenen op 4 augustus 2016. Op 5 augustus 2016 heeft ZGG werkneemster op staande voet ontslagen. Werkneemster heeft aangevoerd dat zij ZGG geen dringende reden heeft gegeven als bedoeld in de wet, aangezien zij niet verplicht was te re-integreren zolang het arbeidsconflict niet was opgelost, zodat het ontslag op staande voet vernietigbaar is. ZGG heeft de stellingen van werkneemster gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing van haar verzoeken.
Oordeel
Anders dan werkneemster kennelijk meent is de werkgever, na overleg met de bedrijfsarts, de arbeidsdeskundige en werkneemster, leidend in het treffen van bedoelde maatregelen en dient de werkneemster zich daarnaar te voegen, tenzij die maatregelen op gespannen voet staan met de beginselen van goed werkgeverschap of anderszins als onredelijk kunnen worden aangemerkt. Het is hoe dan ook niet aan de werkneemster om ter zake van de invulling van het re-integratietraject voorwaarden te dicteren aan de werkgever. Niettemin loopt als rode draad door dit dossier dat werkneemster slechts haar medewerking wenst te verlenen aan re-integratie als aan haar voorwaarden, in het bijzonder de oplossing van het door haar opgeworpen arbeidsconflict, is voldaan. Zoals reeds overwogen vindt die opvatting geen steun in het recht. Hoewel het advies van de bedrijfsarts, die kennelijk alleen op gezag van werkneemster spreekt van een arbeidsconflict zonder daar inhoud aan te geven, van 25 februari 2016 niet uitblinkt door duidelijkheid, valt naar het oordeel van de kantonrechter niet in te zien waarom de oplossing van het (vermeende) arbeidsconflict niet hand in hand kon gaan met re-integratie, temeer nu die re-integratie op een andere afdeling onder een andere leidinggevende zou plaatsvinden. Bovendien heeft werkneemster, die in november 2013, onder meer aan het UWV, gewag heeft gemaakt van een arbeidsconflict vanaf toen tot in ieder geval 16 maart 2015 al dan niet in het kader van een re-integratietraject in overleg met de arbeidsdeskundige, de bedrijfsarts en haar leidinggevende gewerkt zonder dat het thans door haar zo prominent gemaakte arbeidsgeschil daaraan kennelijk in de weg stond. Naar het oordeel van de kantonrechter had werkneemster geen gegronde redenen om niet verder in gesprek te gaan met haar leidinggevende en de arbeidsdeskundige over de invulling van haar re-integratie, temeer nu zij het door haar ervaren conflict tijdens die besprekingen aan de orde had kunnen stellen en ZGG dat onderwerp in een later stadium ook heeft geagendeerd en mediation heeft voorgesteld. Hetgeen hiervoor is overwogen krijgt nog eens extra gewicht door het oordeel van het UWV van 7 juli 2016 waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat werkneemster onvoldoende meewerkte aan haar re-integratie. Hoewel werkneemster had dienen mee te werken aan re-integratie heeft zij op zijn minst zeven (17 maart 2016, 22 maart 2016, 14 april 2016, 21 april 2016, 2 mei 2016, 5 juni 2016, 2 augustus 2016) keer geweigerd om onder meer daarop gerichte gesprekken met haar leidinggevenden, de arbeidsdeskundige en potentiƫle begeleiders bij te wonen, volhardend in haar subjectieve overtuiging dat zij daartoe het recht had. Ook herhaalde waarschuwingen van ZGG, een geƫffectueerde loonstop en het deskundigenadvies van het UWV, waarin ondubbelzinnig is verwoord dat zij ten onrechte niet meewerkte aan haar re-integratie, hebben haar kennelijk niet op andere gedachten kunnen brengen. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen komt de kantonrechter tot het oordeel dat ZGG werkneemster op goede gronden op staande voet heeft ontslagen.