Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 18 april 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:1750
werknemer/Orangeworks Engineering BV
Feiten
Werknemer is sinds 1 maart 2015 in dienst bij Orangeworks Engineering BV (hierna: Orangeworks). In zijn arbeidsovereenkomst is een relatiebeding opgenomen, met een tijdsduur van twee jaar. Werknemer heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd per 30 november 2016. Het geschil van partijen spitst zich toe op de vraag of werknemer per 1 december 2016 in dienst mag treden bij FT NON. De kantonrechter heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Wel heeft de kantonrechter het relatiebeding gematigd in duur, in die zin dat de geldigheidsduur beperkt wordt tot een jaar na uitdiensttreding. Tegen dit vonnis komt werknemer in hoger beroep.
Oordeel
Relatiebeding
FT NON dient als een relatie van Orangeworks te worden beschouwd. Doorslaggevend is daarvoor het feit dat er in de laatste maanden van het dienstverband van werknemer met Orangeworks contacten tussen Orangeworks en FT NON zijn geweest om te onderzoeken of een strategische samenwerking tussen Orangeworks en FT NON tot stand kon worden gebracht. Niet relevant is in dit verband dat werknemer, naar hij stelt, FT NON in contact heeft gebracht met Orangeworks. Dit maakte immers deel uit van zijn werkzaamheden als sales manager bij Orangeworks. Voor zover werknemer betoogt dat het beding onduidelijk is en dit ten gunste van hem moet worden uitgelegd, wordt hij daarin niet gevolgd. Uit de verklaringen van zowel werknemer als X, managing director van Orangeworks, blijkt dat voordat werknemer in dienst trad bij Orangeworks zij de arbeidsovereenkomst hebben besproken, inclusief artikel 10. Volgens werknemer heeft hij bezwaar gemaakt tegen het beding en heeft X daarop gezegd dat dit een breekpunt was met als reden dat Orangeworks haar belangen wilde beschermen. Ook X heeft aangegeven dat er wat artikel 10 betreft geen onderhandelingsruimte was. Gelet daarop had werknemer kunnen weten dat Orangeworks zwaar tilde aan het in artikel 10 opgenomen beding. Hij had hem dan ook duidelijk moeten zijn dat Orangeworks niet licht zou denken over indiensttreding van hem bij FT NON, mede gelet op de aard en inhoud van de contacten tussen Orangeworks en FT NON in de laatste maanden van het dienstverband van werknemer. Aan voormeld oordeel van het hof draagt voorts bij de motivering voor het beding. Y, aandeelhouder van Orangeworks, heeft uiteengezet dat Orangeworks niet een bedrijf is met veel klanten, maar wel met lange relaties. Orangeworks investeert veel geld, tijd en moeite in het onderhouden van bestaande relaties en het vormen van nieuwe, en daarom lijdt Orangeworks schade als zij relaties kwijtraakt, aldus Y. Werknemer, die ook lid van het managementteam was, wist dat de strekking van het beding was dit te voorkomen of had dit in elk geval moeten beseffen. Ook gezien de eerste alinea van artikel 10 had hij zich moeten realiseren dat het beding ook (of juist) een geval als het onderhavige besloeg. Duidelijk was dat FT NON op het moment van de uitdiensttreding van werknemer een belangrijke strategische relatie van Orangeworks was en, bij overeenstemming over de samenwerking, langdurig zou blijven. Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, staat het relatiebeding er – tot en met 1 december 2018 – aan in de weg dat werknemer in dienst treedt van FT NON.
Belangenafweging
De afweging van het belang van Orangeworks om werknemer te houden aan het beding tegen het belang van werknemer om dit teniet te doen, leidt niet tot een ander oordeel. Orangeworks heeft met recht aangevoerd dat het belang van Orangeworks wordt gevormd door andere zaken als interne, vertrouwelijke informatie van Orangeworks in de meest brede zin van het woord waarover werknemer beschikt, zoals met betrekking tot beleidszaken en strategie, calculaties, marktkansen, expansiedoelstellingen en sales prognoses van Orangeworks. Kortom, het belang van Orangeworks is gelegen in haar bedrijfsdebiet.
Matiging
Orangeworks heeft er een zwaarwegend belang bij dat werknemer niet in dienst treedt bij FT NON of anderszins direct of indirect op enigerlei wijze een relatie aangaat met FT NON. Daarbij is van betekenis dat de ontwikkeling van de stoomtunnel waarvoor het octrooi is aangevraagd tijdrovend is. Temeer nu de samenwerking tussen Orangeworks en FT NON naar het zich laat aanzien – wellicht reeds als gevolg van de handelwijze van werknemer – niet doorgaat, is de duur van een jaar te kort. Hetgeen werknemer in dit verband naar voren heeft gebracht, doet daaraan niet af. Het hof ziet daarom geen goede grond om het beding in relatie tot FT NON te schorsen. Het relatiebeding belemmert werknemer sterk bij het vinden van een nieuwe dienstbetrekking. Daartegenover is het algemeen gestelde belang van Orangeworks onvoldoende om werknemer nog langer te houden aan het beding anders dan voor wat betreft FT NON. De duur van het beding wordt daarom beperkt tot drie maanden na het einde dienstverband.
Vergoeding
Het is billijk om aansluiting te zoeken bij de periode van drie maanden waartoe het relatiebeding door het hof ten aanzien van anderen wordt beperkt. Bij het vinden van een nieuwe dienstbetrekking heeft het relatiebeding werknemer immers ernstig benadeeld, ook afgezet tegen de betrekkelijk korte duur van het dienstverband (een jaar en negen maanden).