Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/APG Rechtenbeheer B.V.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 12 april 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:3643

werknemer/APG Rechtenbeheer B.V.

Schending van de re-integratieverplichting door werkgever en de deswege opgelegde loonsanctie geeft werknemer niet zonder meer aanspraak op schadevergoeding krachtens artikel 7:658 BW dan wel 7:681 (oud) BW.

Feiten

Werknemer is van 1 december 1998 tot 1 februari 2007 in dienst geweest bij (rechtsvoorgangers van) APG. In april 2008 is prostaatkanker bij werknemer vastgesteld, waarvoor hij in oktober 2008 is geopereerd. Met ingang van 25 december 2008 achtte de bedrijfsarts werknemer volledig hersteld. Het functioneren van werknemer over 2008 is niet positief beoordeeld. Op 2 maart 2012 heeft het UWV APG een loonsanctie voor de duur van een jaar opgelegd. APG is volgens het UWV tekortgeschoten in haar re-integratieverplichtingen. Op 23 juli 2013 heeft APG, met gebruikmaking van de toestemming van het UWV, de arbeidsovereenkomst met werknemer opgezegd tegen 30 september 2013. Werknemer vordert voor recht te verklaren dat APG jegens werknemer aansprakelijk is voor de door hem opgelopen en nog op te lopen schade, alsmede voor recht te verklaren dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is met veroordeling van APG tot betaling van een schadevergoeding van € 247.949,72 bruto.

Oordeel

Aansprakelijkheid APG

Werknemer verwijt APG onder meer dat zij is tekortgeschoten in haar re-integratieverplichting jegens hem. Op zich is dit verwijt juist; ter zake is aan APG een onherroepelijke loonsanctie opgelegd. Voor het antwoord op de vraag of APG aldus ook tekort is geschoten in een verplichting zich als goed werkgever te gedragen, en uit dien hoofde jegens werknemer schadeplichtig is, is echter niet bepalend of (het UWV heeft geoordeeld dat) APG haar re-integratieverplichting niet naar de letter is nagekomen. Bepalend is veeleer of een andere, vollediger nakoming van die verplichting tot resultaten zou hebben geleid die werknemer als gevolg van de schending van die verplichting heeft moeten derven. Daarvan is niet gebleken en werknemer heeft zulke (gederfde) resultaten ook niet concreet aangeduid. De re-integratie was eenvoudigweg niet mogelijk, omdat de daarvoor bij werknemer minimaal vereiste belastbaarheid in werk van zijn niveau ontbrak, terwijl een functie op het veel lagere niveau dat hij wel zou hebben aangekund, niet voorhanden was. Werknemer verwijt APG voorts dat zijn arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt, in stand gebleven of zelfs verergerd door handelen en nalaten dat een goed werkgever niet betaamt. Hij bepleit omkering van de bewijslast, in die zin dat wordt aangenomen dat de gezondheidsklachten van werknemer hun oorzaak vinden in (de bejegening tijdens) het werk althans (de bejegening tijdens) de ontoereikende re-integratiepogingen en de onterechte plaatsing in de bemiddelings- en mobiliteitsfase. APG zou dan het tegendeel dienen te bewijzen. De omkeringsregel geldt echter slechts bij de gestelde schending van een norm die strekt ter bescherming tegen een specifiek gevaar, dat zich heeft verwezenlijkt. Die situatie doet zich niet voor.

Schadevergoeding (kennelijk onredelijk ontslag)

Als uitgangspunt geldt dat er geen plaats is voor schadevergoeding wegens de kennelijke onredelijkheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst na meer dan twee jaar voortdurende en volledige arbeidsongeschiktheid, ook niet wanneer voorzieningen om de gevolgen van het ontslag te compenseren ontbreken, en met name niet wanneer de arbeidsovereenkomst ook zonder de arbeidsongeschiktheid zou zijn geëindigd. Hier beroept APG zich subsidiair op en dat is terecht. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt immers dat (het besluit tot) opzegging geacht moet worden uitsluitend gegrond te zijn geweest op het disfunctioneren van werknemer, niet op diens arbeidsongeschiktheid. Het genoemde uitgangspunt kan uitzondering lijden wanneer de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt, in stand gebleven of verergerd door onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden of ander gedrag dat een goed werkgever niet betaamt. Ook ten aanzien van deze grondslag van de 681-vordering is hierboven reeds afwijzend geoordeeld.

Conclusie

De vorderingen van werknemer worden alle afgewezen.