Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/ASI Nederland B.V. c.s.
Rechtbank Noord-Holland, 25 april 2017

werknemer/ASI Nederland B.V. c.s.

Kwalificatievraag: managementovereenkomst/overeenkomst van opdracht of arbeidsovereenkomst?

Feiten

De heer X (hierna: X) is betrokken geweest bij de oprichting in 2002 van ASI Security B.V. Per 1 januari 2010 zijn alle bedrijfsactiviteiten van ASI Security B.V. overgebracht naar twee nieuwe vennootschappen, ASI Nederland en ASI Security. X heeft zijn werkzaamheden als operationeel directeur na 1 januari 2010 voortgezet. Op 21 januari 2014 hebben X en ASI Security een beëindigingsovereenkomst gesloten ten aanzien van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Op of rond 1 februari 2014 hebben partijen een concept-managementovereenkomst opgesteld. Na 1 februari 2014 is X feitelijk voor ASI blijven werken. Na 2 juni 2014 hebben partijen verder onderhandeld over de voorwaarden van de managementovereenkomst. Die hebben ertoe geleid dat partijen in januari 2015 een managementovereenkomst zijn aangegaan en hebben ondertekend, gedateerd 1 februari 2014. Op 29 juni 2016 heeft ASI Nederland de managementovereenkomst met ingang van 31 december 2016 beëindigd. X stelt zich thans op het standpunt dat geen sprake is van een managementovereenkomst maar van een arbeidsovereenkomst. In dat kader verzoekt hij vernietiging van de opzegging, dan wel veroordeling van ASI tot een billijke vergoeding en ontheffing van het concurrentiebeding dan wel toekenning van een vergoeding ex artikel 7:653 lid 5 BW.

Oordeel

Kwalificatie van de overeenkomst

Naar het oordeel van de kantonrechter is van een arbeidsovereenkomst geen sprake. Partijen zijn op 21 januari 2014 een beëindigingsovereenkomst aangegaan ten aanzien van de destijds bestaande arbeidsovereenkomst tussen partijen, waarbij die arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd per 1 februari 2014. Partijen zijn rond die periode in onderhandeling getreden over een managementovereenkomst. X is na 1 februari 2014 blijven werken voor ASI, waarbij een te factureren vergoeding werd overeengekomen, waarover omzetbelasting in rekening werd gebracht. Van inhouding van sociale premies en loonbelasting door ASI is geen sprake. Tot eind 2014 hebben partijen overleg gevoerd over de voorwaarden waarop X zou worden ingezet. Daarbij heeft X met ASI uitvoerig over de inhoud van de managementovereenkomst, zoals de verhoging van zijn management fee per 1 december 2014 en 1 januari 2015, onderhandeld. X heeft ASI eind april 2014 laten weten zijn werkzaamheden te beëindigen en ook in het najaar is nog gesproken over de beëindiging van de samenwerking. Uit de correspondentie kan worden afgeleid dat X zichzelf deelgenoot van ASI wenste te voelen. X heeft daarbij beëindigingsvoorstellen gedaan en zich kennelijk vrij gevoeld zijn eisen op tafel te leggen. Deze aspecten – in onderlinge samenhang bezien – wijzen er naar het oordeel van de kantonrechter op dat partijen een zakelijke samenwerking in de vorm van een overeenkomst tot opdracht hebben beoogd, waaraan ook door ieder van partijen uitvoering is gegeven. Er is al met al dan ook geen sprake van een vernietigbare opzegging van een arbeidsovereenkomst.

Billijke vergoeding

Nu geen sprake is van een opzegging van een arbeidsovereenkomst, is naar het oordeel van de kantonrechter voor het toekennen van een billijke vergoeding geen plaats, nog daargelaten dat zich niet zodanige omstandigheden voordoen die toekenning van een dergelijke vergoeding rechtvaardigen.

Ontheffing concurrentiebeding

Nu geen sprake is van een arbeidsovereenkomst doet X tevergeefs een beroep op artikel 7:653 BW. Voor het overige geldt dat dit beding is overeengekomen na langdurige onderhandelingen met ASI. Onvoldoende is gesteld of gebleken waaruit volgt dat het beding in verhouding tot het te beschermen belang van ASI X onbillijk benadeelt. Voor opheffing, beperking of een vergoeding bestaat geen grond.

  • Instantie: Rechtbank Noord-Holland
  • Datum uitspraak: 25-04-2017
  • Roepnaam: werknemer/ASI Nederland B.V. c.s.
  • Zaaknummer: 5761561 / AO VERZ 17-26
  • Nummer: AR-2017-0531