Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Forensisch Psychiatrisch Instituut De Rooyse Wissel
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 11 april 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:3293

werkneemster/Stichting Forensisch Psychiatrisch Instituut De Rooyse Wissel

Geen herstel arbeidsovereenkomst of billijke vergoeding langdurig arbeidsongeschikte werkneemster. Opbouw vakantie-uren gekoppeld aan de verplichting om loon te betalen. Langere verjaringstermijn voor vakantie-uren, omdat werkneemster redelijkerwijze gedurende twee jaar niet in staat is geweest vakantie op te nemen.

Feiten

Werkneemster is per 15 augustus 2009 bij De Rooyse Wissel in dienst getreden en vervulde laatstelijk de functie van sociotherapeut. Sinds 16 april 2013 is werkneemster volledig arbeidsongeschikt. Bij beslissing van 2 maart 2015 heeft het UWV aan werkneemster een WGA-uitkering toegekend vanaf 5 april 2015. Nadat het UWV eerst bij beslissing van 29 september 2015 heeft geweigerd toestemming te verlenen, is deze in 2016 alsnog verleend en is de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid met inachtneming van de geldende opzegtermijn opgezegd tegen 1 augustus 2016. Werkneemster verzoekt onder meer vernietiging van de opzegging, herstel, toekenning van een billijke vergoeding en uitbetaling van vakantie-uren.

Oordeel

Redelijke grond

Volgens de kantonrechter blijkt onvoldoende sprake van een ontbreken van een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel b BW en er is daarmee geen grond om te komen tot herstel van de dienstbetrekking. Het primair gevorderde herstel van de arbeidsovereenkomst dient daarmee afgewezen te worden.

Billijke vergoeding/artikel 7:611 BW

Dit brengt de kantonrechter tot de (subsidiair) gevorderde billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:682 lid 1 onderdeel c BW dan wel (de meer subsidiair gevorderde) additionele vergoeding op basis van artikel 7:611 BW. Kern van het aan deze vorderingen ten grondslag liggende geschil is de vraag of De Rooyse Wissel heeft voldaan aan haar verplichtingen in het kader van de re-integratieverplichtingen. De kantonrechter stelt allereerst vast dat deze vraag op verschillende momenten aan het UWV is voorgelegd en dat daarbij telkens – gezien de vervolghandelingen die het UWV heeft verricht – de re-integratieverplichtingen niet als onvoldoende zijn beoordeeld. In het licht daarvan mag van werkneemster verwacht worden dat zij haar standpunt voldoende met objectieve stukken – zoals stukken uit de curatieve sector dan wel objectief opgestelde deskundigenoordelen – onderbouwt. Werkneemster heeft dit nagelaten zodat haar vorderingen op dit punt dienen te worden afgewezen.

Opbouw vakantie-uren gedurende loondoorbetalingsverplichting

Partijen twisten over de vraag tot wanneer de vakantie-uren worden opgebouwd: tot de datum van de loondoorbetalingsverplichting in de visie van De Rooyse Wissel (dus t/m 4 april 2015), dan wel zoals werkneemster betoogd heeft, zolang de werknemer in dienst is bij de werkgever, dus tot 1 augustus 2016. De kantonrechter stelt vast dat artikel 7:634 BW aangeeft dat de werknemer vakantie-uren opbouwt over ieder jaar waarin hij ‘gedurende de volledige overeengekomen arbeidsduur recht op loon heeft gehad’. Daarmee is de opbouw van vakantie-uren uitdrukkelijk gekoppeld aan de verplichting om loon te betalen. Dat de cao-bepaling hiervan uitdrukkelijk afwijkt door een werknemer die geen recht meer op loon heeft vanwege een ziekte die langer dan twee jaar duurt, wel nog recht op vakantie te laten hebben, is naar het oordeel van de kantonrechter een te ruime uitleg van deze bepaling, waarin de kantonrechter niet zal meegaan, mede gelet op het feit dat werkneemster haar standpunt niet verder heeft onderbouwd.

Verjaringstermijn

Partijen verschillen verder van mening over de vraag welke verjaringstermijn van toepassing is op deze vakantie-uren: in beginsel verjaren dit soort vakantie-uren volgens het bepaalde in artikel 7:640a BW ‘zes maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is verworven, tenzij de werknemer tot aan dat tijdstip redelijkerwijs niet in staat is geweest vakantie op te nemen’. Is dat laatste het geval dan verjaren deze uren pas na vijf jaar conform artikel 7:642 BW. Werkneemster stelt dat dat laatste het geval is voor de uren van 2013 en 2014. De Rooyse Wissel gaat voor alle wettelijke vakantie-uren uit van de verjaringstermijn van een halfjaar. De kantonrechter stelt vast dat in de Kamerstukken (Kamerstukken II 2010/11, 32645, 6, p. 5) ervan uit is gegaan dat een zieke werknemer in staat is om de minimumvakantie op te nemen indien hem re-integratieverplichtingen zijn opgelegd. Met werkneemster is de kantonrechter van oordeel dat ten aanzien van de jaren 2013 en 2014 gezegd kan worden dat voor haar geen benutbare mogelijkheden aanwezig geacht werden door de bedrijfsarts en daarmee feitelijk geen re-integratie aan de orde is geweest. Afdoende onderbouwd is dat er in 2013 en 2014 sprake was van de situatie dat werkneemster redelijkerwijze niet in staat is geweest vakantie op te nemen. Dit betekent dat over 2013 en 2014 de verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing is en over 2015 de korte verjaringstermijn, zo concludeert werkneemster zelf door aan te geven dat zij vanaf voorjaar 2015 in staat is geweest op vakantie te gaan en verlof op te nemen. Uitgangspunt bij het opnemen van vakantie is dat de werknemer geacht wordt steeds de oudste vakantiedagen opgenomen te hebben (HR 10 juni 1988, ECLI:NLPHR:188:AC1504). Gesteld noch gebleken is dat dat nu – in een situatie waarin twee verschillende soorten verjaringstermijnen aan de orde zijn – anders zou zijn. Met andere woorden: de 117 uren aanspraak uit 2013 worden het eerste afgeschreven bij het opnemen van de vakantie in 2015, zodat de resterende opgenomen 81 uren (198 opgenomen uren verminderd met 117 uren aanspraak) worden afgeschreven op het tegoed dat opgebouwd is in 2014 (zijnde 144), aldus resteren nog 63 (144 minus 81) uit 2014, die pas vervallen per 1 januari 2020. De in 2015 opgebouwde vakantie is vervallen per 1 juli 2016, aangezien deze niet is opgenomen. Met uitbetaling van bovenwettelijke uren en LFB-uren heeft De Rooyse Wissel aan haar verplichting voldaan.