Naar boven ↑

Rechtspraak

Phidec vastgoed beheer b.v./werknemer
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 12 mei 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:4422

Phidec vastgoed beheer b.v./werknemer

Afwijzing ontbindingsverzoek, aangezien sprake is van een valse grond (bedrijfseconomische redenen in plaats van disfunctioneren). Geen ambtshalve aanvulling van rechtsgrond.

Feiten

Werkneemster is op 11 mei 2015 krachtens arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij Phidec in dienst getreden als receptioniste/kantoormanager. Op 30 januari 2017 heeft Phidec voor werkneemster een ontslagaanvraag bij het UWV ingediend wegens bedrijfseconomische redenen (organisatorische of technologische veranderingen). Het UWV heeft geen toestemming verleend. Phidec verzoekt om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Volgens Phidec is er wel degelijk sprake van een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:671b lid 1 onderdeel b in verbinding met artikel 7:669 lid 1 en 3 onderdeel a BW (kort gezegd: bedrijfseconomische redenen), zodat de arbeidsovereenkomst tussen partijen kan worden ontbonden.

Oordeel

A-grond: valse grond

Uit het verweer van werkneemster is genoegzaam komen vast te staan dat de daadwerkelijke reden voor de ontslagaanvraag bij het UWV (en dit ontbindingsverzoek) is gelegen in beweerd onvoldoende functioneren van werkneemster. Nog daargelaten dat de ongeschiktheid van werkneemster tot het verrichten van de bedongen arbeid op geen enkele wijze is komen vast te staan nu daarvan iedere schriftelijke onderbouwing ontbreekt, is zij hiervan ook niet tijdig door de werkgever in kennis gesteld en heeft zij – voor zover haar functioneren al verbetering behoefde – geen gelegenheid gekregen om dat functioneren te verbeteren. Dit leidt ertoe dat het onderhavige verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet worden afgewezen, aangezien er sprake is van een valse grond. Aan een inhoudelijke beoordeling van de a-grond wordt niet meer toegekomen.

Geen aanvulling redelijke grond

Ten slotte moet worden vastgesteld dat Phidec haar verzoek in deze procedure niet heeft aangevuld met een andere redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, bijvoorbeeld de verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond als bedoeld in art. 7:669 lid 3 BW). Die niet aangevoerde g-grond kan mitsdien ook niet leiden tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst, alhoewel de kantonrechter ter zitting aan partijen heeft meegegeven dat hij weinig heil ziet in een vruchtbare voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Het desalniettemin ambtshalve ontbinden van de arbeidsovereenkomst op de g-grond zou niet alleen leiden tot een verrassingsbeslissing, maar tevens de arbeidsrechtelijke bescherming die een (disfunctionerende?) werknemer toekomt illusoir maken. Gelet hierop kan in dit geschil niet tot ambtshalve aanvulling van de rechtsgrond worden overgegaan.