Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Magazijn de Bijenkorf B.V.
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 17 november 2015
ECLI:NL:RBDHA:2015:16281

werkneemster/Magazijn de Bijenkorf B.V.

Ontslag op staande voet medewerkster Bijenkorf wegens in strijd met de bedrijfsregels handelen door artikelen meerdere malen aan te kopen, te retourneren en vervolgens tegen een lagere prijs aan te kopen niet rechtsgeldig. Voorwaardelijke ontbinding wegens verwijtbaar handelen.

Feiten

Werkneemster is sinds 2005 in dienst van de Bijenkorf. Zij is op staande voet ontslagen, omdat zij in strijd met de bedrijfsregels heeft gehandeld door artikelen meerdere malen aan te kopen, te retourneren en vervolgens tegen een lagere prijs aan te kopen en daarover tegenstrijdige en niet-waarheidsgetrouwe verklaringen af te leggen. Werkneemster verzoekt vernietiging van het ontslag. De Bijenkorf heeft een voorwaardelijk ontbindingsverzoek ingediend, primair op basis van de e-grond en subsidiair de g-grond.

Oordeel

Naar het oordeel van de kantonrechter is in deze procedure vast komen te staan dat werkneemster zich niet heeft gehouden aan de bij de Bijenkorf geldende interne regels ter zake van het reserveren van actieartikelen en dat zij door het herhaaldelijk retourneren en opnieuw aankopen van goederen misbruik heeft gemaakt van kortingen. Dat werkneemster tegenstrijdige of niet-waarheidsgetrouwe verklaringen heeft afgelegd is op basis van de ingenomen stellingen en ingebrachte stukken niet gebleken. Het handelen van werkneemster vormt, mede gelet op het herhaaldelijk medegedeelde strenge beleid van de Bijenkorf ten aanzien van het overtreden van de geldende regels, grond voor beëindiging van de arbeidsrelatie tussen partijen. De ernst van de overtredingen, de lengte van het dienstverband van werkneemster en het overige functioneren weegt de kantonrechter evenwel aldus dat geen sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet en evenmin van ernstig verwijtbaar handelen, maar dat het handelen van werkneemster wel kwalificeert als verwijtbaar handelen in de zin van artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW. Anders gezegd, het handelen van werkneemster vormt grond voor de beëindiging van het dienstverband, maar niet voor de onmiddellijke beëindiging daarvan zonder dat recht is op uitbetaling van de transitievergoeding. Een en ander leidt tot het oordeel dat het gegeven ontslag op staande voet niet in stand kan blijven, maar dat de arbeidsovereenkomst, met inachtneming van het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 onderdeel a BW, wordt ontbonden per 1 februari 2016.