Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 9 december 2015
ECLI:NL:RBROT:2015:10167
werkneemster/Fitness Personeel B.V.
Feiten
Werkneemster was tot 1 juni 2015 eigenaar van drie fitnesscentra. Werkneemster heeft deze fitnesscentra overgedragen aan de heer X, directeur van FP. Werkneemster is vervolgens met ingang van 1 juni 2015 in dienst getreden bij FP in de functie van manager. Bij e-mail van 5 augustus 2015 is aan de gemachtigde van werkneemster bericht dat het loon van juli 2015 niet wordt betaald omdat zij niet één keer op de werkvloer is verschenen en telefonisch slecht te bereiken is. Bij brief van 17 augustus 2015 heeft de gemachtigde van werkneemster FP gesommeerd het loon over juli 2015 binnen twee dagen te voldoen. Bij brief van 27 augustus 2015 heeft de gemachtigde van FP werkneemster bericht dat zij bij brief van 3 augustus 2015 op staande voet is ontslagen. Werkneemster verzoekt onder meer vernietiging van de opzegging en loondoorbetaling. Hieraan legt werkneemster onder meer ten grondslag dat zij de brief van 3 augustus 2015 waarin het ontslag op staande voet wordt gegeven nooit heeft ontvangen. FP verzoekt voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. FP legt hieraan onder meer ten grondslag dat werkneemster tijdens de overname van de fitnesscentra essentiële informatie heeft achtergehouden waardoor er een vertrouwensbreuk is ontstaan.
Oordeel
Aangezien niet gebleken is dat de brief van 3 augustus 2015 werkneemster eerder dan 27 augustus 2015 heeft bereikt en FP niet heeft gesteld dat zij werkneemster op een andere wijze heeft geïnformeerd over het gestelde ontslag op de gestelde gronden, is – nog los van de vraag of de door FP aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde redenen voldoende dringend zijn – niet komen vast te staan dat het ontslag op staande voet onverwijld (en dus rechtsgeldig) is gegeven. Het primaire verzoek van werkneemster om vernietiging van het ontslag wordt dan ook toegewezen. Wat betreft het ontbindingsverzoek oordeelt de kantonrechter als volgt. De kantonrechter is met FP van mening dat de overname niet zonder meer losgezien kan worden van het dienstverband, nu de indiensttreding van werkneemster als manager onweersproken nauw samenhangt met haar eerdere rol als manager/eigenaar van de sportscholen. Nu werkneemster betwist dat zij voor FP dan wel X zaken heeft achtergehouden, is in dit stadium van de procedure onvoldoende komen vast te staan dat werkneemster verwijtbaar c.q. nalatig jegens FP heeft gehandeld. Bij de functie van manager die werkneemster vervult is een vertrouwensrelatie met het management van FP noodzakelijk, eens temeer nu de drie sportscholen alleen toegankelijk zijn voor vrouwen en niet voor het (mannelijke) management. Het is de kantonrechter voldoende gebleken dat gelet op hetgeen tussen partijen is voorgevallen in het kader van (de afwikkeling van) de overname sprake is van een conflict – daargelaten of werkneemster hierbij een verwijt treft – waardoor de arbeidsverhouding tussen hen is verstoord, zodat van FP als werkgever niet kan worden gevergd dat zij de arbeidsovereenkomst langer laat voortduren. Nu daarmee sprake is van een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW en herplaatsing in een andere passende functie niet mogelijk is, zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden. Voorts is niet gesteld of gebleken dat FP werkneemster voor 5 augustus 2015 heeft aangesproken op de vermeende afwezigheid. FP stelt weliswaar dat zij pas op dit moment hiervan op de hoogte was omdat het management van FP niet op de werkvloer aanwezig kan zijn, maar dit is een omstandigheid die voor rekening en risico van FP dient te blijven. Het gevorderde loon vanaf 1 juli 2015 zal dan ook worden toegewezen.