Naar boven ↑

Rechtspraak

Den Hartogh Trucking B.V./Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het beroepsgoederenvervoer over de weg
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 20 februari 2014
ECLI:NL:RBAMS:2014:9870

Den Hartogh Trucking B.V./Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het beroepsgoederenvervoer over de weg

Uittreding werkgever pensioenfonds leidt, mede gelet op solidariteitsgedachte, niet tot recht op terugbetaling van (doorsnee)pensioenpremies.

Feiten

Naar aanleiding van gewijzigde wetgeving ter zake van VUT/prepensioen en levensloop (VPL) heeft het Pensioenfonds per 1 januari 2006 een overgangsregeling ingevoerd voor deelnemers (werknemers van aangesloten ondernemingen) geboren op of na 1 januari 1950 (Pensioenreglement V) als compensatie voor het wegvallen van vroegpensioen. Dit heeft naast andere compensatoire onderdelen geleid tot verhoging van de te betalen doorsneepremie geregeld in het Uitvoeringsreglement (UR) van het Pensioenfonds. Den Hartogh vordert primair een verklaring voor recht dat het Pensioenfonds direct voorafgaande aan 31 december 2020 of een eerdere pensioendatum dient zorg te dragen voor affinanciering, administratie en uitkering van 6,25/15 deel van de per 1 januari 2006 vastgestelde aanspraken krachtens Pensioenreglement V voor deelnemers die aan de gestelde reglementaire voorwaarden voldoen. Den Hartogh  stelt dat zij over de genoemde periode van zes jaar en drie maanden (tot de vrijstelling) de vanwege Pensioenreglement V verhoogde pensioenpremie heeft voldaan, waaronder een gedeelte dat door het Pensioenfonds wordt gereserveerd ten behoeve van de affinanciering van de daaruit voortvloeiende aanspraken van werknemers (VPL-gelden). Zij becijfert dit gedeelte op € 2.847.602. Indien het Pensioenfonds dit gedeelte van de premie behoudt, wordt zij daardoor ongerechtvaardigd verrijkt, althans handelt zij in strijd met de redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 6:248 BW. Het Pensioenfonds voert verweer.

Oordeel

Voor Pensioenreglement V is niet afzonderlijk premie geheven; de door Pensioenfonds geheven doorsneepremie is in verband daarmee ‘slechts’ verhoogd. Zolang Den Hartogh (verplicht) bij Pensioenfonds was aangesloten, was zij tot betaling van deze doorsneepremie gehouden. De premie is voor alle deelnemers gelijk (of een gelijk percentage) uit hoofde van het solidariteitsbeginsel dat onder meer meebrengt dat de door Pensioenfonds ontvangen premie wordt gebruikt voor de collectieve financiering van alle toe te kennen pensioenaanspraken. Er bestaat geen een-op-een verband tussen betaalde premie en door deelnemers te verkrijgen aanspraken. De uittreding van Den Hartogh doet aan dit uitgangspunt niet af; de solidariteitsgedachte waarop de doorsneepremie is gebaseerd komt niet met terugwerkende kracht te vervallen. Haar uittreden geeft Den Hartogh volgens de statuten en reglementen van Pensioenfonds dan ook geen recht op terugbetaling van een deel van de premie, ook al geldt – anders dan voor onvoorwaardelijk opgebouwde pensioenaanspraken van deelnemers – voor de onderhavige voorwaardelijke aanspraken jegens Pensioenfonds dat deze als gevolg van de uittreding (in beginsel) komen te vervallen, omdat niet aan de dienstjareneis wordt voldaan. Een bijzondere wettelijke regeling waaraan Den Hartogh aanspraak op terugbetaling van een gedeelte van de betaalde premie kan ontlenen ontbreekt. Het standpunt van Pensioenfonds komt naar het oordeel van de kantonrechter ook niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid en van ongerechtvaardigde verrijking van Pensioenfonds is geen sprake. De vorderingen worden afgewezen [red.: in hoger beroep is het vonnis bekrachtigd, zie AR 2017-0512].