Naar boven ↑

Rechtspraak

FNV/Gemeente Schagen c.s.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 25 april 2017
ECLI:NL:GHAMS:2017:1644

FNV/Gemeente Schagen c.s.

Staking chauffeurs leerlingenvervoer levert geen ‘dringende noodzakelijkheid’ ex artikel G ESH op.

Feiten

De gemeenten bieden de mogelijkheid om leerlingen die door een structurele beperking of om andere redenen niet van en naar hun onderwijsinstelling kunnen komen aangepast vervoer aan. Er maken in de gemeenten ongeveer 400 leerlingen gebruik van deze mogelijkheid. Het vervoer is na aanbesteding in onderaanneming uitgevoerd door Donau. Donau heeft de chauffeurs aanmerkelijk slechtere arbeidsovereenkomsten aangeboden dan zij daarvoor hadden. FNV heeft de chauffeurs geadviseerd de arbeidsovereenkomsten niet te tekenen. Vervolgens heeft het FNV na het stellen van een ultimatum, stakingen aangekondigd. De voorzieningenrechter heeft het gevraagde verbod van de gemeenten toegewezen op grond van artikel G ESH, met als rechtvaardiging: ‘De wederzijdse belangen afwegend, luidt het oordeel dat het maatschappelijk belang dat leerlingen die voor hun schoolgang zijn aangewezen op leerlingenvervoer, ook daadwerkelijk naar school kunnen gaan, zoveel zwaarder weegt dan het belang van FNV bij de acties, dat een beperking daarvan dringend noodzakelijk is.’ Tegen dit oordeel keert FNV zich in hoger beroep.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt.

Staking chauffeurs leerlingenvervoer levert geen ‘dringende noodzakelijkheid’ ex artikel G ESH op

Op grond van artikel G ESH kunnen de in deel I en II van het ESH geregelde rechten, waaronder het recht op collectieve actie zoals neergelegd in artikel 6 aanhef en onder 4 ESH, generlei beperking ondergaan, met uitzondering van die welke bij de wet zijn voorgeschreven en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en voor de bescherming van de openbare orde, de nationale veiligheid, de volksgezondheid en de goede zeden. Deze mogelijkheid tot beperking wordt in Nederland aldus uitgelegd dat zij in het concrete geval, maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk dient te zijn. Bij de beoordeling óf een beperking of uitsluiting van de uitoefening van het recht op collectieve actie in het concrete geval, maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk is, dient de rechter alle omstandigheden mee te wegen. Daarbij kunnen onder meer van belang zijn de aard en duur van de actie, de verhouding tussen de actie en het daarmee nagestreefde doel, de daardoor veroorzaakte schade aan de belangen van de werkgever of derden en de aard van die belangen en die schade. De gemeenten hebben erop gewezen dat de leerlingen, voor wie het vervoer naar en van school als gevolg van de voorgenomen acties niet geregeld zou zijn, volledig aangewezen waren op dat vervoer, een kwetsbare groep vormen waarvoor regelmaat heel belangrijk is, en dat zij verplicht zijn om naar school te gaan en er recht op hebben dat vervoer van overheidswege geregeld te zien. Gebleken is dat de acties die op 22 juni 2016 hebben plaatsgevonden, door FNV aan de betreffende ouders vooraf waren aangekondigd. Hoewel FNV op 22 juni 2016 nog geen nadere informatie had verstrekt over de inhoud, waaronder data, van eventuele vervolgacties, acht het hof, gelet op de wijze waarop de acties op 22 juni 2016 waren verlopen, geen reden aanwezig te veronderstellen – de Gemeenten hebben daartoe ook geen concrete aanwijzingen genoemd – dat eventuele vervolgacties niet ook vooraf zouden worden aangekondigd zodat ouders daarmee rekening zouden kunnen houden. Afgezien van het feit dat niet is komen vast te staan dat de betreffende kinderen en ouders geen alternatieven voor vervoer hadden of zouden hebben gehad, is het hof van oordeel dat de enkele omstandigheid van het gedurende een enkele dag niet kunnen volgen van onderwijs niet maakt dat op grond daarvan de inperking van het stakingsrecht maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk was. Weliswaar zou de definitieve concessie kort na de op 22 juni 2016 gehouden acties worden gegund, maar zoals hierboven is overwogen, FNV had er een reëel belang bij de arbeidsvoorwaarden zoals die bij Donau golden, op een met de arbeidsvoorwaarden zoals die bij Y Groepsvervoer golden gelijke wijze vastgesteld te zien. Concluderend is het hof van oordeel dat zich niet de situatie voordeed dat in casu beperking van het in artikel 6 aanhef en onder 4 ESH neergelegde recht tot het voeren van collectieve actie op grond van artikel G ESH gerechtvaardigd was in die zin dat een algemeen verbod tot het voeren van nadere acties gerechtvaardigd was.