Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 6 juni 2017
ECLI:NL:RBROT:2017:4343

werkneemster/werkgeefster

Opzegging niet rechtsgeldig nu niet is gebleken van een ondubbelzinnige instemming van werkneemster met de opzegging. Wel ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds kan worden opgezegd wegens voldragen a-grond.

Feiten

Werkneemster is op 1 september 2016 bij werkgeefster in dienst getreden voor bepaalde tijd tot en met 31 augustus 2017. Op 27 januari 2017 heeft werkgeefster werkneemster opgeroepen voor een gesprek en een conceptbeëindigingsovereenkomst aan haar overhandigd. Werkgeefster heeft op 31 januari 2017 aan werkneemster per whatsappbericht laten weten het dienstverband als beëindigd te beschouwen. Werkneemster zegt daarentegen nooit te hebben ingestemd. De broodjeszaak waar werkneemster werkzaam was is inmiddels gesloten. Werkneemster is het niet met de beëindiging eens en verzoekt onder meer vernietiging van de opzegging en loondoorbetaling. Werkgeefster verzoekt bij wege van voorwaardelijk tegenverzoek ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel a BW.

Oordeel

Er is geen sprake van een dringende reden of overige uitzonderingsgevallen die zijn opgenomen in artikel 7:671 lid 1 BW. Resteert dan nog te beoordelen of werkneemster schriftelijk heeft ingestemd met de beëindiging zoals door werkgeefster is aangevoerd. Uit de door partijen in het geding gebrachte afschriften van die berichten blijkt echter niet van een ondubbelzinnige instemming van werkneemster met de opzegging. In een whatsappbericht van 31 januari 2017 schrijft werkneemster bovendien aan werkgeefster dat zij het niet met de vaststellingsovereenkomst eens is, ‘aangezien er meerdere dingen in staan die niet kloppen’. Ook indien enig bericht van werkneemster vanaf 18 januari 2017 zou moeten worden opgevat als instemming met de opzegging, dan geldt het bericht van werkneemster van 31 januari 2017 als een schriftelijke herroeping daarvan. Een en ander leidt tot de conclusie dat het verzoek van werkneemster tot vernietiging van de (vermeende) opzegging van de arbeidsovereenkomst door werkgeefster wordt toegewezen. Het verzoek van werkneemster tot wedertewerkstelling wordt afgewezen. Een rechtstreekse verplichting van een werkgever om aan een werknemer werk te verschaffen bestaat niet. Bovendien is de broodjeszaak thans gesloten. De loonvordering van werkneemster wordt wel toegewezen. Werkneemster heeft zich altijd beschikbaar gehouden om te werken en ook de omstandigheid dat de broodjeszaak inmiddels is gesloten komt voor rekening en risico van werkgeefster. Dat betekent dat werkneemster op grond van artikel 7:628 BW haar recht op loon is blijven behouden. Wat betreft het tegenverzoek van werkgeefster oordeelt de kantonrechter als volgt. Allereerst is relevant dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen gesloten is voor bepaalde tijd zonder tussentijds opzegbeding. Dat betekent dat op grond van artikel 7:671b lid 1 onderdeel c BW de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst kan ontbinden. Uit zowel de whatsappconversaties tussen partijen als de mededelingen van werkneemster tijdens mondelinge behandeling blijkt dat zij erkent dat het in de loop van de tijd ‘minder ging’ met de broodjeszaak. In samenhang bezien met de financiële stukken die door werkgeefster in het geding zijn gebracht en het wijzigingsformulier van de Kamer van Koophandel is dat voldoende om in deze procedure tot het oordeel te komen dat sprake is van verval van de arbeidsplaats van werkneemster. Herplaatsing behoort niet tot de mogelijkheden. Dat leidt tot de conclusie dat de door werkgeefster aangevoerde feiten en omstandigheden een voldragen a-grond opleveren. Gelet op alle omstandigheden van dit geval, acht de kantonrechter een beëindiging per 7 juni 2017 redelijk. De kantonrechter ziet geen aanleiding om op grond van artikel 7:671b lid 9 aanhef en onderdeel a of b BW een vergoeding toe te kennen.