Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Oilily World B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 31 mei 2017
ECLI:NL:RBNHO:2017:4395

werknemer/Oilily World B.V.

Vordering herstel dienstbetrekking na ontslag met toestemming UWV afgewezen. Er is sprake van bedrijfseconomische omstandigheden die opzegging rechtvaardigen.

Feiten

Werknemer is op 1 januari 2010 in dienst getreden bij Oilily. Het UWV heeft op 29 november 2016 aan Oilily toestemming gegeven voor opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Oilily heeft de arbeidsovereenkomst bij ongedateerde brief opgezegd met ingang van 1 januari 2017. Werknemer verzoekt primair een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst onverminderd van kracht is gebleven en Oilily te veroordelen tot betaling van het salaris. Aan dit verzoek legt werknemer ten grondslag dat Oilily de arbeidsovereenkomst niet geldig heeft opgezegd, omdat in de opzeggingsbrief geen reden voor de opzegging is vermeld. Werknemer verzoekt subsidiair onder meer herstel van de arbeidsovereenkomst. Oilily verzoekt bij wege van tegenverzoek voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst op basis van de g-grond.

Oordeel

De kantonrechter stelt vast dat in de (ongedateerde) opzeggingsbrief van Oilily is verwezen naar het besluit van het UWV d.d. 29 november 2016 waarin zij aan Oilily toestemming heeft verleend om de arbeidsovereenkomst met werknemer op te zeggen. Vast staat dat de procedure bij het UWV enkel ging om het antwoord op de vraag of sprake was van bedrijfseconomische redenen die het noodzakelijk maakten dat arbeidsplaatsen structureel zouden komen te vervallen. Ook staat vast dat er geen andere rechtsgrond is vermeld in de opzeggingsbrief van Oilily. Gelet daarop moet het voor werknemer duidelijk zijn geweest dat zijn arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden is opgezegd. Het primaire verzoek van werknemer wordt dan ook afgewezen. Wat betreft het subsidiaire verzoek van werknemer overweegt de kantonrechter onder meer dat onvoldoende is gebleken van een centrale leiding tussen Oilily en de vennootschappen waarmee zij samenwerkt, dan wel dat Oilily feitelijk de zeggenschap hierover voert. Bij de beoordeling van de bedrijfseconomische situatie wordt dan ook uitgegaan van de financiële gegevens ten aanzien van Oilily en voor zover relevant, OOW. Werknemer heeft voorts gesteld dat er geen bedrijfseconomische maar persoonlijke redenen zijn voor ontslag en betwist dat het noodzakelijk was zijn functie te laten vervallen. De kantonrechter is echter van oordeel dat Oilily op basis van de overgelegde financiële stukken en de daarbij gegeven toelichting, voldoende heeft aangetoond dat, ondanks een stijgende omzet, de bedrijfsresultaten sinds 2013 negatief zijn. Dat het aantal medewerkers van Oilily is gestegen, lijkt weliswaar tegenstrijdig met de aanvraag van de ontslagvergunning, maar zoals door Oilily toegelicht, valt dit te verklaren uit het feit dat in augustus 2015 een winkel is geopend in Batavia Stad. Daarnaast heeft Oilily onbetwist gesteld dat het voornamelijk gaat om oproepkrachten. Op grond van het vorenstaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat er sprake is van bedrijfseconomische omstandigheden die maken dat Oilily in redelijkheid heeft kunnen besluiten arbeidsplaatsen te laten vervallen. Tussen partijen is voorts in geschil of Oilily het afspiegelingsbeginsel diende toe te passen of niet. De kantonrechter gaat ervan uit dat de stellingen van Oilily juist zijn en dat derhalve de functie van werknemer niet uitwisselbaar is met de functie van Marketing Manager. Tot slot is de kantonrechter van oordeel dat Oilily voldoende heeft onderbouwd dat de functie van werknemer noodzakelijkerwijs kwam te vervallen, dat hij niet voor herplaatsing in aanmerking kwam en dat er ook overigens voor werknemer geen andere passende functie beschikbaar was binnen haar onderneming. De opzegging is daarmee niet in strijd met artikel 7:669 lid 3 onderdeel a BW en het verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen.