Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 20 juni 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:2814
werkgever/werknemer
Feiten
Werknemer is sinds 2011 in dienst bij werkgever. De werkplaats van werkgever, waar werknemer werkzaam was, is per 17 augustus 2016 gesloten. De werkzaamheden zijn overgeheveld naar een werkplaats in Engeland. Werkgever heeft werknemer per 19 september 2016 vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van loon. Werknemer vordert wedertewerkstelling. De kantonrechter heeft de vordering van werknemer toegewezen. Tegen dit vonnis komt werkgever in hoger beroep.
Oordeel
Spoedeisend belang
Vast staat dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen door de opzegging van werkgever is geƫindigd per 1 december 2016. Werknemer heeft dus in hoger beroep geen belang meer bij de door hem gevorderde wedertewerkstelling. Dat betekent dat aan de vordering van werknemer tot wedertewerkstelling op straffe van een dwangsom, waarbij in eerste aanleg een spoedeisend belang bestond, in hoger beroep (spoedeisend) belang is komen te ontbreken. Voor wat betreft het belang van werkgever bij dit hoger beroep geldt het volgende. Werknemer heeft voor het eerst bij memorie van antwoord aan werkgever kenbaar gemaakt dat hij niet tot executie van dwangsommen zal overgaan. Werknemer heeft daarbij afstand gedaan van het recht op executie van eventueel verbeurde dwangsommen. Werkgever is echter in eerste aanleg in de proceskosten veroordeeld. Deze veroordeling levert een voldoende belang op bij het instellen van hoger beroep, ook als het hof in kort geding oordeelt dat het spoedeisend belang ontbreekt bij de in hoger beroep te beoordelen vordering. Het hof moet ook in een dergelijk geval beslissen over de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Daartoe moet worden onderzocht of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag terecht is toe- of afgewezen, met inachtneming van het in hoger beroep gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van de beslissing in hoger beroep
Wedertewerkstelling
Vast staat dat werkgever is geconfronteerd met het, binnen de vennootschapsrechtelijke groep waartoe zij behoort, genomen besluit dat zij haar werkplaats in X moest sluiten. Werknemer heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken dat het besluit tot sluiting is genomen op grond van efficiency- en kostenoverwegingen. Evenmin is weersproken dat de reparaties vanaf het moment van sluiting van de werkplaats in augustus 2016 zijn doorgezonden naar Engeland. Dat betekent voorshands dat de reparatiewerkzaamheden die werknemer verrichtte en die volgens werkgever een substantieel deel vormden van zijn functie, vanaf de sluiting niet meer in X werden uitgevoerd en op goede gronden zijn overgeheveld naar Engeland. Werkgever heeft werknemer op 16 september 2016 vrijgesteld van zijn werkzaamheden met behoud van loon. Zij had al voor die tijd een aanvraag voor een ontslagvergunning bij het UWV ingediend wegens sluiting van de werkplaats en het verval van de functie van werknemer. Het was voor werknemer dus duidelijk dat de vrijstelling van zijn werkzaamheden vooruitliep op de beslissing van het UWV over de ontslagaanvraag van werkgever. Werknemer heeft in hoger beroep ook erkend dat zijn vordering tot wedertewerkstelling zag op het moment waarop partijen nog in debat waren bij het UWV. Het UWV heeft op 18 oktober 2016 aan werknemer toestemming voor opzegging van de arbeidsovereenkomst verleend. Onder voornoemde omstandigheden was er voor werkgever een redelijke en voldoende zwaarwegende grond aanwezig om werknemer vrij te stellen van zijn werkzaamheden en woog het belang van werkgever zwaarder dan het belang van werknemer bij het verrichten van zijn werk. Werkgever heeft, door werknemer in de gegeven omstandigheden op 16 september 2016 vrij te stellen van zijn werkzaamheden met behoud van loon, niet in strijd gehandeld met het goed werkgeverschap. De slotsom is dat de vordering van werknemer in eerste aanleg ten onrechte is toegewezen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen. Werknemer wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordeeld.