Rechtspraak
Hoge Raad, 23 juni 2017
ECLI:NL:HR:2017:1135
werknemer/Vesteda Investment Management B.V., rechtsopvolgster van Vesteda Groep B.V.
Feiten
(Zie ook AR 2015-0845.) Werknemer is op 1 maart 1987 bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (hierna: ABP) in dienst getreden. In verband met een reorganisatie is de afdeling waar werknemer werkzaam was, ondergebracht in het ABP Woningfonds. Op 1 januari 1996 zijn het ABP en het ABP Woningfonds geprivatiseerd, met als gevolg dat werknemer per die datum op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is getreden van de Stichting Pensioenfonds ABP. Op grond van artikel 26 lid 4 Wet privatisering ABP heeft het bestuur van het ABP een overgangsmaatregel (hierna: Overgangsmaatregel ABP) opgesteld die van toepassing is op personeel dat op 31 december 1995 in dienst is bij het ABP en op 1 januari 1996 in dienst treedt bij de Stichting Pensioenfonds ABP. De Overgangsmaatregel ABP is in werking getreden op 1 januari 1996. Per 1 januari 1998 heeft (de rechtsvoorgangster van) Vesteda de activa en het personeel, onder wie werknemer, van het geprivatiseerde ABP Woningfonds overgenomen, althans is Vesteda de voortzetting van het ABP Woningfonds. In de arbeidsovereenkomst is onder meer bepaald dat de WUP van toepassing is. De kantonrechter heeft in 2000 de arbeidsovereenkomst op verzoek van werknemer ontbonden met C=0,25 indien werknemer aanspraak maakt op de WUP en C=1,25 indient dit niet het geval blijkt te zijn. Nadat werknemer aanvankelijk een uitkering op grond van de WUP ontving, besloot het UWV dat deze uitkering ten onrechte was nu werknemer geen ABP-medewerker meer was. Het hof heeft geoordeeld dat Vesteda werknemer alsnog een uitkering-WUP moet toekennen en haar veroordeeld de geleden schade te vergoeden. Werknemer heeft zijn schade begroot op ten minste € 776.578,87. In cassatie klaagt werknemer onder meer dat het hof in de schadestaatprocedure ten onrechte niet het overgangsrecht-WUP heeft toegepast.
Oordeel
De Hoge Raad oordeelt als volgt.
Ontslaguitkeringsregeling ABP wel van toepassing
Artikel 4 lid 1 WUP bepaalt dat de belanghebbende die als werknemer is ontslagen, uit hoofde van zijn ontslag als werknemer recht heeft op wachtgeld. Artikel 21 onderdeel a Overgangsmaatregel ABP bepaalt dat het gestelde in de WUP op het personeel van de Stichting Pensioenfonds ABP van overeenkomstige toepassing is. Artikel 21 onderdeel b Overgangsmaatregel ABP bepaalt dat in de WUP moet worden gelezen artikel 6, 7a, 9 en 16 OUR in plaats van artikel 5, 6a, 8 en 16 Rwb 1959 en artikel 25, 26a, 27 en 32 in verbinding met artikel 16 OUR in plaats van artikel 7, 8a, 9 en 16 Uitkeringsregeling 1966. In zijn arrest in de hoofdprocedure heeft het hof de vraag beantwoord of aan het SBK, de OUR, dan wel de WUP een wachtgeldgrond kan worden ontleend. Het hof oordeelde in dat arrest dat werknemer geen aanspraak op wachtgeld heeft op grond van de SBK of de OUR, maar wel op grond van de WUP. Zoals hiervoor vermeld, zijn ingevolge artikel 21 onderdeel b Overgangsmaatregel ABP op de aanspraak op wachtgeld uit hoofde van de WUP, enkele bepalingen van de OUR van toepassing verklaard. De overwegingen van het hof in zijn arrest in de hoofdprocedure raken de toepasselijkheid van deze bepalingen van de OUR niet. Het hof heeft in dat arrest uitsluitend beslist op de vraag of werknemer een (zelfstandige) aanspraak op wachtgeld kan ontlenen aan de SBK, de OUR of de WUP, en voor recht verklaard dat werknemer recht heeft op een uitkering conform de WUP. Daarbij heeft het hof zich niet uitgelaten – en het behoefde dat ook niet te doen, nu een verwijzing naar de schadestaatprocedure volgde – over de vraag op welke wijze de hoogte en de duur van de uitkering op grond van de WUP berekend moeten worden. Evenmin heeft het hof zich in zijn arrest in de hoofdprocedure uitgelaten over de vraag of bij de berekening van die uitkering, bepalingen van de OUR (alsnog) van belang kunnen zijn, dan wel geoordeeld dat er gronden zijn de WUP slechts gedeeltelijk toe te passen op de situatie van werknemer, namelijk met het buiten toepassing laten van verwijzingen naar de OUR. De klacht is dus gegrond.
Ontbindingsvergoeding kwalificeert niet als inkomen uit arbeid bij wachtgeldregeling
De kantonrechter heeft als ontbindingsvergoeding toegekend een vergoeding van ƒ 53.483 bruto (correctiefactor = 0,25) voor het geval werknemer in aanmerking zou komen voor wachtgeld, en een vergoeding van ƒ 267.406 bruto (correctiefactor = 1,25) voor het geval werknemer daarvoor niet in aanmerking zou komen. In dat oordeel ligt besloten dat de eerstgenoemde vergoeding niet strekte ter dekking van inkomsten uit of in verband met arbeid. Daarvoor zou werknemer in dat geval immers het wachtgeld hebben. Daaruit volgt dat de eerstgenoemde vergoeding kennelijk een andere bestemming had. Dit strookt ook met het oordeel van de kantonrechter dat de verstoring in de arbeidsverhouding in overwegende mate is toe te rekenen aan Vesteda en dat dit tot uitdrukking diende te komen in de toe te passen correctiefactor C=0,25. Dit heeft geleid tot een C=1,25 (in plaats van C=1) voor het geval werknemer niet in aanmerking kwam voor wachtgeld, en tot een C=0,25 (in plaats van een C=0) voor het geval werknemer daarvoor wel in aanmerking kwam. Daaruit volgt dat zonder verhoging met de correctiefactor in verband met verwijtbaar handelen van Vesteda, van de vergoeding van ƒ 53.483 in het geheel geen sprake zou zijn geweest. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat gesteld noch gebleken is dat de vergoeding van ƒ 53.483 een ander karakter heeft dan ter dekking van of tegemoetkoming in inkomensschade onbegrijpelijk.