Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Oilily World BV
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 31 mei 2017
ECLI:NL:RBNHO:2017:4396

werkneemster/Oilily World BV

Dat de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen werd opgezegd, was voor werkneemster voldoende duidelijk. Geen groep in de zin van artikel 2:24b BW. Redelijke grond en regelmatige opzegging.

Feiten

Werkneemster is op 1 september 2009 in dienst getreden bij Oilily. De laatste functie die zij vervulde, is die van Process Manager. Het UWV heeft bij besluit van 29 november 2016 aan Oilily toestemming gegeven voor opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. De arbeidsovereenkomst is per 1 januari 2017 opgezegd. Werkneemster verzoekt primair een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst onverminderd van kracht is. Aan dit verzoek legt werkneemster ten grondslag dat Oilily de arbeidsovereenkomst niet geldig heeft opgezegd, omdat in de opzeggingsbrief geen reden voor de opzegging is vermeld, terwijl dat wel is vereist. Werkneemster heeft subsidiair een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst te herstellen, op grond van artikel 7:682 lid 1 onderdeel a BW.

Oordeel

Opzegging wegens bedrijfseconomische redenen voldoende duidelijk

De kantonrechter stelt vast dat in de (ongedateerde) opzeggingsbrief van Oilily is verwezen naar het besluit van het UWV d.d. 29 november 2016 waarin deze aan Oilily toestemming heeft verleend om de arbeidsovereenkomst met werkneemster op te zeggen. Vast staat dat de procedure bij het UWV enkel ging om het antwoord op de vraag of sprake was van bedrijfseconomische redenen die het noodzakelijk maakten dat arbeidsplaatsen structureel zouden komen te vervallen. Ook staat vast dat er geen andere rechtsgrond is vermeld in de opzeggingsbrief van Oilily. Gelet daarop moet het voor werkneemster duidelijk zijn geweest dat haar arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden is opgezegd. Blijkens de tekst van artikel 7:671a lid 6 BW en de toelichting daarop is immers van belang dat dezelfde redelijke grond die is aangevoerd door de werkgever bij het verzoek om toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen eveneens wordt gebruikt als redelijke grond in de opzeggingsbrief. Dat is hier het geval. Het primaire verzoek wordt afgewezen.

Redelijke grond

Voordat beoordeeld kan worden of er een redelijke grond voor ontslag aanwezig is, wordt ingaan op de stelling van werkneemster dat Oilily deel uitmaakt van een groep in de zin van artikel 2:24b BW die organisatorisch is verbonden in een economische eenheid met Oilily on Wheels B.V. (hierna: OOW), Colorful Licenses Holding BV (hierna: CL) en de deelnemingen van CL. De kantonrechter is van oordeel dat niet gebleken is dat daadwerkelijk sprake is van het feitelijk uitoefenen van (overheersende) zeggenschap en dat daadwerkelijk sprake is van centrale leiding door Oilily over CL, hetgeen wordt vereist om aan te nemen dat sprake is van een groep in de zin van artikel 2:24b BW. Er wordt slechts uitgegaan van de financiële gegevens ten aanzien van Oilily en voor zover relevant, OOW. Oilily heeft aannemelijk gemaakt dat de functie van Process Manager is komen te vervallen door maatregelen die om bedrijfseconomische redenen nodig zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering. Tussen partijen is voorts in geschil of Oilily het afspiegelingsbeginsel diende toe te passen of niet. Het had op de weg van werkneemster gelegen om specifiek aan te geven welke functies uitwisselbaar zijn met de functie van haar. Dit heeft zij nagelaten. Ook overigens is niet gebleken van functies die uitwisselbaar zijn met de functie van werkneemster. Voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het ontslag is daarnaast van belang of herplaatsing van werkneemster in een passende functie binnen een redelijke termijn mogelijk was. Gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake was. De conclusie is dat de opzegging niet in strijd is met artikel 7:669 lid 3 onderdeel a BW. Het verzoek om Oilily te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen wordt afgewezen.

Regelmatige opzegging

Oilily stelt dat op 30 november 2016 de opzeggingsbrief door een koerier is achtergelaten in de brievenbus van werkneemster. Ter onderbouwing van haar stelling heeft Oilily een aantal foto’s overgelegd. Volgens Oilily zou aan de bestandsnaam te zien zijn dat de foto’s zijn gemaakt op 30 november 2016. Werkneemster heeft, hoewel dat op haar weg had gelegen, deze stellingen van Oilily niet betwist. Daarmee staat ook vast dat de opzegtermijn op 30 november 2016 is gaan lopen en dat Oilily de arbeidsovereenkomst, nu als onbetwist vaststaat dat een opzegtermijn van één maand resteerde, per 1 januari 2017 regelmatig heeft opgezegd. Volgt afwijzing van de verzoeken.