Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 11 maart 2015
ECLI:NL:RBLIM:2015:2113
Stichting Bibliotheek Rotterdam/Stichting Pensioenfonds ABP
Feiten
De bibliotheken werden tot 1 januari 2013 aangemerkt als publiekrechtelijk lichaam en de personen in haar dienst als overheidswerknemers. De werknemers waren tot het moment van privatiseren van de bibliotheken verplicht aangesloten bij ABP, laatstelijk onder de werking van de Wet privatisering ABP. Met ingang van 1 januari 2013 zijn de bibliotheken geprivatiseerd. Als gevolg hiervan is de verplichte deelneming in ABP geëindigd. De op dat moment in dienst zijnde werknemers van de bibliotheken werden met ingang van 1 januari 2013 verplicht aangesloten bij het Pensioenfonds Openbare Bibliotheken (hierna: POB). Door de privatisering verviel de grondslag voor verplichte deelneming in ABP. Vervallen van het deelnemerschap impliceert dat er geen pensioen meer wordt opgebouwd bij ABP en dat een ex-deelnemer die tot het moment van privatisering voorwaardelijke pensioenrechten opgebouwd had, daar jegens ABP geen aanspraak meer op kon maken. Teneinde voorwaardelijke rechten te behouden dienden werknemers dus aangesloten te blijven bij ABP. Teneinde de voorwaardelijke pensioenrechten van de ‘oude werknemers’ veilig te stellen, alsmede de pensioenopbouw bij ABP voort te zetten, hebben de bibliotheken bij ABP geïnformeerd naar een vrijwillige aansluiting bij ABP, hetgeen mogelijk was. Wel is er door ABP op gewezen dat aan de vrijwillige aansluiting (mogelijk) nadelige gevolgen voor ABP verbonden waren en dat daarvoor aan de bibliotheken een vergoeding in rekening gebracht zou worden, de zogenoemde afwikkelingscompensatie. Een dergelijke compensatie achtte ABP niet nodig indien ook alle ‘nieuwe’ werknemers van de bibliotheken zouden deelnemen in ABP. De bibliotheken stellen zich op het standpunt de afwikkelkosten niet verschuldigd te zijn.
Oordeel
Nu er geen specifieke wettelijke basis noodzakelijk is voor de door ABP verlangde nadeelcompensatie, moet ABP gevolgd worden in haar stelling dat het al dan niet overeenkomen van een dergelijke vergoeding een kwestie is die geheel binnen de contractsvrijheid van partijen valt. Partijen zijn derhalve in beginsel vrij om de inhoud van een overeenkomst zelf te bepalen. Deze contractuele vrijheid vormt dan ook de grondslag voor de door ABP in rekening gebrachte kosten, zodat een nadere juridische grondslag niet noodzakelijk is. Geoordeeld wordt dat ABP krachtens de met de bibliotheken aangegane overeenkomsten jegens de laatste op goede gronden een vordering pretendeert wegens de ‘kosten afwikkelingsaansluiting’ die zij vergoed wenst te zien. Onder die kosten moeten naast het VTN de ‘voorwaardelijke inkooprechten’ begrepen geacht worden. Dat ABP deze kosten niet op juiste wijze, althans onaanvaardbaar, berekend heeft, is niet gebleken, noch dat zij daarbij wetten, regels of statuten geschonden zou hebben. Ook is de in rekening gebrachte som als zodanig voor beide bibliotheken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar te achten [red.: voor het oordeel in hoger beroep zie AR 2017-0508].