Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/Raad voor Arbeidsverhoudingen Schoonmaak- en Glazenwassersbranche c.s.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 9 mei 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:3886

werkgever/Raad voor Arbeidsverhoudingen Schoonmaak- en Glazenwassersbranche c.s.

Een premievordering van het bedrijfstakpensioenfonds in de schoonmaak- en glazenwassersbranche is aan te merken als een periodieke vordering in de zin van artikel 3:308 BW en verjaart na verloop van vijf jaar na aanvang van de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden.

Feiten

Ingevolge de cao voor het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf (hierna: de cao) is een onder de werkingssfeer van de cao vallende werkgever ten behoeve van de Raad voor Arbeidsverhoudingen Schoonmaak- en Glazenwassersbranche (hierna: RAS) verplicht om over de verschuldigde premiejaren een bijdrage aan RAS te betalen. Werkgever valt onder deze cao. De cao is algemeen verbindend verklaard ten aanzien van de premiejaren 2004 t/m 2013, met uitzondering van de periode januari t/m september 2010. De Stichting bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf (hierna: SSG) is een bedrijfstakpensioenfonds en uitvoerder van pensioenregelingen voor ondernemingen en bedrijfstakken. Ingevolge het bepaalde in artikel 3 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000) is werkgever, die onder de werkingssfeer van de SGG valt, gehouden tot betaling van de verschuldigde premies voor zijn werknemers uit hoofde van de verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds. RAS en SSG vorderen betaling door werkgever van de premies over de jaren 2004 t/m 2013. De kantonrechter heeft de vorderingen in eerste aanleg toegewezen. Tegen dit vonnis komt werkgever in hoger beroep.

Oordeel

Tussen partijen is niet in geding dat werkgever in de periode 2004 tot en met 2013 onder de werkingssfeer van RAS en SSG viel, maar dat werkgever zijn werknemers niet heeft aangemeld. Evenmin heeft werkgever voldaan aan de – ten behoeve van de premie- en bijdrageberekening – op hem rustende verplichting om de relevante gegevens aan te leveren op de in artikel 9 lid 1 en lid 4 van het door SSG gehanteerde Uitvoeringsreglement en artikel 7 Reglement RAS voorgeschreven manier. Daarnaast heeft hij de in de procedure in eerste aanleg door hem overgelegde gegevens niet leesbaar onderbouwd. Ook in hoger beroep heeft werkgever zijn stellingen niet geadstrueerd met verifieerbare gegevens of onderliggende stukken zoals jaaropgaven of loonstroken. De (on)juistheid van de berekening van werkgever met betrekking tot 2010 en 2011 is dan ook niet na te gaan. Ditzelfde geldt voor zijn stelling dat hij in 2012 en 2013 geen personeel in dienst had. Ingevolge artikel 10 van het Uitvoeringsreglement brengt dit met zich dat RAS en SSG bevoegd zijn de nodige gegevens naar beste weten vast te stellen en te hanteren bij de voorlopige vaststelling van de premie, waarbij de werkgever aan deze vaststelling is gebonden. Dit doet niet af aan de voortdurende informatieplicht van de werkgever die onder de werkingssfeer valt. De laatste volzin van lid 1 van artikel 10 Uitvoeringsreglement bepaalt immers dat voor de definitieve vaststelling van de premie het bepaalde in artikel 9 Uitvoeringsreglement onverminderd van kracht blijft. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat RAS en SSG bevoegd waren en zijn om alsnog de premies over de jaren vanaf 2004 vast te stellen. Omdat werkgever zijn informatieplicht niet is nagekomen, blijft de verschuldigdheid van de ambtshalve opgelegde nota’s zoals in geding in beginsel bestaan. Van deze vaststelling moet worden onderscheiden de vraag of de vorderingen van RAS en SSG, waarmee pensioenpremies en bijdragen over de jaren 2004 tot en met 2008 in rekening zijn gebracht bij werkgever, zijn verjaard.

Verjaring

Voor beantwoording van die vraag dient allereerst te worden vastgesteld welke verjaringstermijn van toepassing is, gelet op de aard van de premie- en bijdragevordering waarop RAS en SSG in dit geding aanspraak maken. In artikel 7 van het Uitvoeringsreglement is bepaald dat de premie per loontijdvak wordt vastgesteld. Voor de bijdrage is in artikel 3 van Reglement RAS bepaald dat deze per loontijdvak wordt betaald. Naar hun aard betreffen dit periodieke vorderingen. Bij gebreke van een in de pensioenwetgeving opgenomen bijzondere verjaringstermijn is daarop de verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 3:308 BW ter zake rechtsvorderingen tot betaling van renten van geldsommen, lijfrenten, dividenden, huren, pachten en voorts alles wat bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald van toepassing. Ingevolge lid 1 van artikel 7 van het Uitvoeringsreglement betaalt de werkgever de verschuldigde premie aan SSG per loontijdvak. SSG stuurt de werkgever hiervoor een premienota. De premie dient uiterlijk betaald te zijn binnen veertien dagen nadat het fonds de premienota heeft verzonden. Indien de werkgever de verplichtingen om op grond van artikel 9 van het Uitvoeringsreglement haar werknemers aan te melden en de vereiste gegevens te verschaffen niet of niet tijdig nakomt, is SSG ingevolge artikel 10 van het Uitvoeringsreglement bevoegd de premie naar beste weten (voorlopig) vast te stellen, aan welke vaststelling de werkgever is gebonden. Op grond van artikel 7 lid 4 van het Uitvoeringsreglement dient de werkgever de aldus vastgestelde premie aan SSG te betalen.

Artikel 8 van het Uitvoeringsreglement bepaalt dat bij niet tijdige betaling de werkgever door het enkele verloop van de betalingstermijn in verzuim is. Voor de verschuldigde bijdragen aan RAS is dit op soortgelijke wijze bepaald in Reglement RAS. Het Uitvoeringsreglement en Reglement RAS bepalen aldus een tijd voor nakoming, waardoor artikel 6:38 BW toepassing mist. RAS en SSG hebben, nadat zij werkgever meermalen hebben herinnerd aan het aanleveren van de juiste gegevens, diverse facturen, alle gedateerd op 14 januari 2014 verzonden die betrekking hebben op premieberekeningen en bijdragen over de jaren 2004 tot en met 2013. Op de facturen wordt telkens, kennelijk overeenkomstig artikel 7 Uitvoeringsreglement en de artikelen 3 en 5 Reglement RAS, een betalingstermijn van veertien dagen vermeld. Vast staat dat werkgever deze facturen niet heeft betaald. Gezien het bepaalde in het Uitvoeringsreglement en Reglement RAS als hiervoor vermeld, zijn de vorderingen van RAS en SSG, ook voor zover die betrekking hebben op de premieberekeningen over de jaren 2004 tot en met 2008, eerst opeisbaar geworden op 28 januari 2014 na het verstrijken van de betalingstermijn van veertien dagen en niet, zoals door de kantonrechter overwogen, eerst in augustus 2013. De verjaringstermijn is aangevangen op 29 januari 2014 en aldus is de vordering niet verjaard. Aan het vorenstaande doet niet af dat van rechtswege een premie- en bijdragevordering ontstaat indien een werkgever op grond van de Wet Bpf 2000 in de werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds komt te vallen en daarmee een verplichting tot aanmelding en de beginselverplichting tot premie- en bijdragebetaling krijgt. Immers, het enkele ontstaan van een dergelijke vordering, die voortvloeit uit de betalingsplicht van de werkgever, brengt niet zonder meer de opeisbaarheid daarvan op datzelfde moment met zich in een geval als het onderhavige waarin RAS en SSG het moment van opeisbaarheid constitueren aan de hand van de in het Uitvoeringsreglement en Reglement RAS opgenomen bepalingen omtrent die opeisbaarheid.