Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Leiden), 9 maart 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:10078
werknemer/Stichting voor Protestants-Christelijk Onderwijs,
Feiten
Werknemer is op 1 januari 1980 in dienst getreden bij de werkgever. De laatste functie die de werknemer vervulde, is die van leraar LA. De werkgever heeft met toestemming van het UWV de arbeidsovereenkomst met werknemer opgezegd op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid. Werknemer verzoekt toekenning van een transitievergoeding, omdat hij meer dan 24 maanden in dienst is geweest en er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Volgens de werkgever dient het verzoek van de werknemer te worden afgewezen, wegens bijzondere omstandigheden gelegen in de rechtspositie van werknemers in het bijzonder onderwijs. De werknemer heeft recht op voorzieningen als bedoeld in artikel XXII lid 7 WWZ. Hij kan immers aanspraak maken op een bovenwettelijke uitkering (in casu een arbeidsongeschiktheidspensioen en IPAP-voorziening).
Oordeel
Het Besluit overgangsrecht transitievergoeding bepaalt in artikel 2 lid 1 dat indien de werknemer op grond van tussen de werkgever of verenigingen van werkgevers en verenigingen en werknemers gemaakte afspraken recht heeft op vergoedingen of voorzieningen als bedoeld in artikel XXII lid 7 WWZ, de transitievergoeding niet verschuldigd is, tenzij overeengekomen is dat de werknemer recht heeft op die vergoeding of voorziening, in aanvulling op de transitievergoeding. Naar het oordeel van de kantonrechter is het recht dat de werknemer (eventueel) heeft op een aanvulling op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering geen zodanige vergoeding of voorziening als bedoeld in artikel XXII lid 7 WWZ, omdat de door de werknemer te ontvangen (aanvulling op de) arbeidsongeschiktheidsuitkering voortkomt uit een door hemzelf afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering en betaalde premies. Het verzoek van de werknemer wordt toegewezen.