Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Gouda), 20 december 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:17095
Centric Netherlands B.V./werkneemster
Feiten
Werkneemster is op 1 april 2013 bij Centric in dienst getreden in de functie van line manager. Werkneemster is onder meer verantwoordelijk voor de ontwikkeling van Key2Zorg (IT-product). Centric heeft op enig moment besloten om Key2Zorg, versie 7.1, door te ontwikkelen tot Key2Zorg, versie 7.2. Uit het Performance test report is op 9 juni 2016 echter gebleken dat de performance van de 7.2-versie was verslechterd ten opzichte van de voorgaande versies. Volgens Centric heeft werkneemster vervolgens geen actie ondernomen. Op 12 augustus 2016 is het slechte resultaat voor de grootste afnemer van dit product, TWB Thuiszorg met Aandacht, aanleiding geweest om haar overeenkomst met Centric met ingang van 1 juli 2016 te ontbinden. Op 25 augustus 2016 heeft Centric aan werkneemster te kennen gegeven dat zij de arbeidsovereenkomst met haar wil beëindigen. Centric verzoekt onder meer ontbinding van de arbeidsovereenkomst op basis van de g-grond.
Oordeel
Op grond van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd is onder meer aannemelijk dat werkneemster kort na het beschikbaar komen van de testresultaten, van haar team heeft begrepen dat de performanceproblemen oplosbaar waren, zoals nadien ook is gebleken. Op basis van die informatie heeft zij kennelijk geconcludeerd dat er geen reden was om alarm te slaan en de oplevering van het product uit te stellen. Achteraf moet echter worden geconcludeerd dat zij – hetgeen, gelet op haar functie, wel op haar weg lag – ten onrechte niet of niet voldoende heeft gewaarborgd dat de performanceproblemen waren opgelost alvorens het product aan de klanten van Centric ter beschikking werd gesteld. Aldus heeft zij het risico genomen dat de uitlevering van het product zou kunnen plaatsvinden alvorens haar team de performance van het product op orde had gebracht. Gelet op de voorzienbare en vermijdbare nadelige gevolgen die dit voor de gebruikers en Centric zou hebben, was dit onverantwoord en dus fout. Centric stelt dat zij als gevolg van deze fout en het eerdere disfunctioneren van werkneemster al het vertrouwen in haar heeft verloren, hetgeen tot (art. 7:669 lid 3 onderdeel g BW) een verstoorde arbeidsverhouding heeft geleid, zodanig dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Nu zij aan de door haar gestelde vertrouwensbreuk disfunctioneren ten grondslag legt, kan alleen worden aangenomen dat van haar in redelijkheid niet langer de voortzetting van de arbeidsovereenkomst kan worden gevergd, indien is voldaan aan de vereisten van artikel 7:669 lid 3 onderdeel d BW, bij gebreke waarvan het verlies van het vertrouwen in het functioneren van werkneemster niet haar, maar Centric is te verwijten. Deze situatie doet zich hier voor. Daarbij is van belang dat Centric weliswaar uiteen heeft gezet dat de leidinggevende van werkneemster haar kennelijk vanaf begin 2015 bij herhaling heeft aangesproken op haar verplichting om aan de hand van door haar te produceren projectvoortgangsrapportages de benodigde controle uit te oefenen over de onder haar verantwoordelijkheid uit te voeren projecten, maar dat in ieder geval niet (voldoende) is gebleken dat Centric in overleg met werkneemster is overgegaan tot het opstellen en tot uitvoering brengen van een verbeterplan waarin voldoende concreet is benoemd wat de verbeterpunten zijn en binnen welke (redelijke) termijn deze, zo nodig in combinatie met coaching, te realiseren zijn. Dit leidt tot de conclusie dat het verzoek van Centric is af te wijzen.