Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 10 mei 2017
ECLI:NL:RBDHA:2017:7283
werknemer/Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek
Feiten
De heer X heeft als deelnemer in de pensioenregeling van PMT pensioen opgebouwd. In januari 2010 heeft de heer X PMT verzocht om een voorstel voor (gedeeltelijk) vervroegd pensioen. Bij brief van 21 april 2010 heeft PMT de heer X op zijn verzoek geïnformeerd en op het bijbehorende aanvraagformulier de pensioenaanspraken vermeld. Bij brief van 2 juli 2010 bevestigt PMT dat de heer X per 1 augustus 2010 recht heeft op een vervroegd ouderdomspensioen van € 59.025,53 bruto per jaar. Bij brief van 7 maart 2011 heeft PMT aan de heer X bericht dat het eerder genoemde pensioen te hoog is weergegeven en dat het per maart 2011 naar de juiste hoogte van de pensioenaanspraken zal worden aangepast. Bij tussenvonnis van 30 november 2016 heeft de kantonrechter overwogen dat aan de heer X een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen toekomt op basis van de door PMT in het aanvraagformulier verstrekte informatie. Dit heeft gevolgen voor de subsidiaire vordering van de heer X, onder meer inhoudende dat de heer X jegens PMT met terugwerkende kracht aanspraak heeft op betaling van de in de bevestigingsbrief van 2 juli 2010 toegekende pensioenbedragen. De kantonrechter heeft de zaak bij tussenvonnis dan ook aangehouden teneinde de heer X (en PMT bij antwoordakte) in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten.
Oordeel
De vraag is of van PMT gevergd kan worden dat hij zijn verklaring, die de heer X heeft kunnen opvatten als een eenzijdige rechtshandeling, nakomt of dat PMT zich met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2012, op het standpunt kan stellen dat zijn verklaring geen enkele consequentie heeft en dat de pensioenrechten van de heer X uitsluitend uit het pensioenreglement voortvloeien. De kantonrechter onderschrijft op zichzelf dat primair het pensioenreglement bepalend is voor de omvang van de pensioenaanspraken van de deelnemer. Dit brengt mee dat niet elke, niet geheel met het pensioenreglement overeenstemmende mededeling van de zijde van het pensioenfonds een voldoende grondslag kan opleveren voor pensioenaanspraken die afwijken van het pensioenreglement, reeds omdat niet elke mededeling tot een rechtshandeling herleid kan worden. In deze zaak kan het aanvraagformulier naar het oordeel van de kantonrechter wél worden aangemerkt als een rechtshandeling. Met deze opgave beoogt de pensioenuitvoerder immers duidelijk te maken welk concreet bedrag de dan pensioengerechtigde daadwerkelijk gaat ontvangen, of anders gezegd: op welk bedrag de gepensioneerde jegens het pensioenfonds, gelet op het reglement, aanspraak heeft. Dat het pensioenfonds daarbij nog een uitdrukkelijk voorbehoud heeft gemaakt voor het geval gegevens onjuist zijn verwerkt, ontneemt dit bericht niet het karakter van een toezegging, zij het een voorwaardelijke. Indien de heer X daarop gerechtvaardigd heeft vertrouwd, kan hij, op grond van vaste jurisprudentie, zich beroepen op het verbindend karakter van deze toezegging en heeft hij recht op betaling van de toegezegde uitkering, ook al staat inmiddels vast dat de daaraan ten grondslag liggende berekening niet juist was. Gelet op deze vergaande gevolgen mag niet al te snel worden aangenomen dat er inderdaad sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen, maar dient voldaan te zijn aan strenge eisen. Gelet op het verschil in deskundigheid tussen de heer X en PMT kan enerzijds aan PMT de eis worden gesteld om bij de berekening van de pensioenuitkeringen van zijn deelnemers de grootst mogelijke zorgvuldigheid te betrachten en zijn uitlatingen over die rechten uitgebreid te controleren en kan anderzijds niet te snel worden aangenomen dat een pensioengerechtigde had kunnen en moeten begrijpen dat de hem toegezegde uitkering te hoog is. Vast staat dat de heer X het aanvraagformulier heeft ingevuld en met bewijsstukken heeft teruggestuurd aan PMT. Aldus heeft de heer X het aanbod van PMT aanvaard. Vervolgens heeft de heer X op basis van de verklaring van PMT als vervat in de brief van 21 april 2010 en het aanvraagformulier de onomkeerbare beslissing genomen om ontslag te nemen bij zijn werkgever en per 1 augustus 2010 met pensioen te gaan. Pas in maart 2011 heeft de heer X bericht gekregen van PMT dat men een fout heeft gemaakt en dat het door hem te ontvangen pensioen lager is dan hem eerder per brief van 21 april 2010 was medegedeeld. Onder deze omstandigheden acht de kantonrechter PMT gehouden om aan de heer X de bedragen uit te keren die in de brief van 21 april 2010 en het bijbehorende aanvraagformulier zijn vermeld. De kantonrechter verklaart dan ook voor recht dat de heer X jegens PMT met terugwerkende kracht aanspraak heeft op betaling van de in het aanvraagformulier vermelde pensioenbedragen, rekening houdende met het feit dat de pensioenaanspraken ouderdomspensioen vóór 65 jaar en ouderdomspensioen door PMT – eenzijdig – herschikt zijn en veroordeelt PMT tot betaling van X bedragen.