Rechtspraak
werknemer/werkgever
Feiten
Werknemer is op 1 mei 2012 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) werkgever. Laatstelijk vervulde hij de functie van Portfoliomanager, onder meer belast met acquisitie. Partijen hebben eind augustus 2016 een conflict gekregen. Werkgever heeft op 27 september 2016 een ontbindingsverzoek ingediend vanwege, kort gezegd, een dringende reden dan wel een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 januari 2017.
Oordeel
Werknemer heeft in eerste aanleg bij wege van voorziening onder meer betaling gevorderd van een bedrag van € 5500 bruto als salaris. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Grief II en III zien op de betaling van het loon vanaf 5 september 2016 en bestrijden, kort gezegd, het oordeel dat de omstandigheden waaronder werknemer zijn werkzaamheden niet heeft verricht in dit geval voor zijn rekening komen en niet voor rekening van werkgever, als werkgever. De grieven kunnen niet slagen. De vordering tot doorbetaling van loon is aan te merken als een nevenvordering als bedoeld in artikel 7:686a lid 3 BW en kan derhalve (gelijktijdig) worden ingediend in de verzoekschriftprocedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Deze vordering tot doorbetaling van loon is, zoals uit de hiervoor geciteerde overweging blijkt, bij de ontbindingsbeschikking afgewezen en daartegen is geen beroep ingesteld, zodat de betreffende beslissing in kracht van gewijsde is. Werknemer heeft verder zijn eis ten opzichte van de eerste aanleg uitgebreid met een vordering tot buitenwerkingstelling dan wel beperking van het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding als neergelegd in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst. Ter zitting in hoger beroep heeft werknemer verder zijn belang bij een buitenwerkingstelling van het concurrentiebeding nader toegelicht. Vastgesteld kan worden, zo blijkt uit de uitlatingen van werkgever, dat zij zich voornamelijk richt op de verhuur van woonruimte aan ‘expats’ in Amsterdam. Zij doet dat niet als enige ondernemer, maar er zijn naar schatting nog zo’n 500 in Amsterdam gevestigde organisaties, die zich geheel of gedeeltelijk met dit soort activiteiten bezighouden. Afgezien van de persoonlijke benadering van potentiële contacten werkt werkgever met een eigen intakeprocedure waaraan een bepaald formulier is gekoppeld. Naar het voorshands oordeel van het hof zijn de door werkgever aangegeven ‘eigen’ verworvenheden om de markt te bewerken niet van dien aard dat in een zo’n grote markt als door werkgever geschetst een onrechtvaardig voordeel wordt behaald door werknemer en/of een potentiële nieuwe werkgever, wanneer werknemer opnieuw op die markt actief zou zijn. Daarbij komt dat tussen partijen (ook) een relatiebeding geldt. Dat de relaties van werkgever zeer belangrijk voor haar zijn en daarmee haar voornaamste bedrijfsdebiet vormen kan, gezien de aard van de activiteiten, waarbij persoonlijk contact en vertrouwen voorop staan, gevoeglijk worden aangenomen. Daarnaast geldt overigens nog een geheimhoudingsbeding. In die zin is het bedrijfsdebiet van werkgever in voldoende mate beschermd. Gezien al deze omstandigheden, zal het hof de werking van het concurrentiebeding schorsen, in die zin dat werkgever geen aanspraak kan maken op nakoming van het concurrentiebeding zolang in de hoofdzaak niet is beslist, met ingang van de datum van deze uitspraak, omdat redelijkerwijs de verwachting gerechtvaardigd is dat in een (eventuele) bodemprocedure het concurrentiebeding zowel in tijd als in omvang aanzienlijk zal worden beperkt. De slotsom is dat de grieven falen en dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd, maar dat de vordering tot schorsing van het concurrentiebeding zal worden toegewezen in de hiervoor genoemde zin.