Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Coulant Interim B.V.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 15 december 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:7741

werknemer/Coulant Interim B.V.

Geen sprake van opzegging. Verzoek schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging afgewezen.

Feiten

Werknemer is op 1 september 2015 als commercieel manager in dienst getreden van Coulant op basis van een arbeidsovereenkomst voor zeven maanden. Met ingang van 1 april 2016 is het dienstverband van werknemer verlengd met zes maanden (tot 1 oktober 2016). Werknemer en A, de directeur van Coulant, hebben elkaar op 19 augustus 2016 gesproken. Naar aanleiding daarvan schreef A op 21 augustus 2016 dat het contract van werknemer zal worden verlengd tot het einde van het jaar. Vervolgens schreef A op 12 september 2016 een brief aan werknemer waarin onder meer stond dat zijn arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd en eindigt op 30 september 2016. Werknemer verzoekt primair schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging. Subsidiair verzoekt werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2016 te vernietigen. Op haar beurt verzoekt Coulant de kantonrechter te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is komen te eindigen. Coulant heeft bovendien verzocht om de arbeidsovereenkomst met werknemer voorwaardelijk te ontbinden op basis van de e- en/of g-grond.

Oordeel

Opzegging van de arbeidsovereenkomst

De kantonrechter is met Coulant van oordeel dat de brief van 12 september 2016 niet als een opzegging kan worden beschouwd, gelet op de in de kop en in de tekst gebruikte bewoordingen: ‘Betreft: Beëindiging contract’ en ‘tijdelijke arbeidsovereenkomst niet verlengd’. De enkele omstandigheid dat in de tweede zin het woord ‘opzegging’ is vermeld, maakt dat niet anders, omdat uit de context blijkt dat dit verwijst naar de in de daaraan voorafgaande zin vermelde niet-verlenging van de overeenkomst. Omdat niet kan worden geconcludeerd dat sprake is geweest van een opzegging, moeten de primaire en subsidiaire verzoeken reeds hierom worden afgewezen.

Verlenging van de arbeidsovereenkomst

Vervolgens ligt de vraag voor of de arbeidsovereenkomst is verlengd, of dat de aanzeggingsbrief van 12 september 2016 zich daartegen verzet. De kantonrechter komt tot het oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat A heeft bedoeld het contract (nog) niet te verlengen, maar dat werknemer dat niet zo heeft hoeven begrijpen, en dat uit hetgeen partijen over en weer naar voren hebben gebracht volgt dat werknemer erop mocht vertrouwen dat zijn arbeidsovereenkomst in augustus 2016 is verlengd tot 1 januari 2017. De daarna verzonden aanzeggingsbrief kan daarin geen verandering meer brengen, tenzij deze als opzegging van de verlengde overeenkomst zou moeten worden aangemerkt. Daar is echter geen enkele reden voor.

Het tegenverzoek van Coulant

Nu de overeenkomst is verlengd, moet de verzochte verklaring voor recht van Coulant, inhoudend dat de overeenkomst is geëindigd, worden afgewezen. Wat betreft het voorwaardelijk ontbindingsverzoek overweegt de kantonrechter dat Coulant, gelet op de na de uitspraakdatum resterende korte periode waarin de overeenkomst nog voortduurt, slechts belang heeft bij een oordeel over dit punt, indien de overeenkomst met onmiddellijke ingang wordt ontbonden. Daarvoor is in het algemeen een ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer vereist. Dit kan niet worden vastgesteld. Het tegenverzoek van Coulant wordt afgewezen.