Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werkneemster
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 27 juni 2017
ECLI:NL:GHDHA:2017:1715

werkgever/werkneemster

Het hof heeft bij beschikking van 10 januari 2017 de bodembeschikking van de kantonrechter van 3 juni 2016 vernietigd en heeft de arbeidsovereenkomst van werkneemster alsnog ontbonden, waarmee de grondslag voor de re-integratie en daarmee voor de dwangsommen is komen te vervallen. Proceskosten.

Feiten

Werkneemster is sinds 1 januari 2013 in dienst bij werkgever. Op 8 juni 2015 is zij arbeidsongeschikt geworden als gevolg van rugklachten. Werkgever heeft werkneemster vanaf 9 oktober 2015 vrijgesteld van de bedongen arbeid en heeft haar de toegang tot de werkvloer en contact met haar werk ontzegd. Een en ander omdat aan werkneemster te verwijten zou zijn dat de arbeidsverhouding tussen haar en haar ondergeschikte onder spanning is komen te staan als gevolg waarvan die ondergeschikte dreigde uit te vallen. Op 11 maart 2016 heeft werkgever een verzoekschrift ingediend met het verzoek de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Werkneemster heeft bij tegenverzoek onder meer verzocht om werkgever op last van een dwangsom op te dragen haar per direct toe te laten op de werkvloer en haar te laten re-integreren in haar eigen functie. Bij beschikking van 3 juni 2016 heeft de kantonrechter het verzoek van werkgever afgewezen en is werkgever veroordeeld om werkneemster te laten re-integreren in haar eigen werkzaamheden.

Het hof heeft bij beschikking van 10 januari 2017 de beschikking van 3 juni 2016 vernietigd en de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 maart 2017 omdat de arbeidsverhouding inmiddels zodanig was verstoord dat van werkgever in redelijkheid niet kon worden gevergd deze nog langer te laten voortduren. Het hof heeft bij dat oordeel mede omstandigheden betrokken die zich hebben voorgedaan na 3 juni 2016. Aan werkneemster is een transitievergoeding toegekend, alsmede een bedrag van € 20.000 aan billijke vergoeding omdat de ontbinding het gevolg was van ernstig verwijtbaar handelen van werkgever. De vordering tot wedertewerkstelling is afgewezen. In het thans bestreden kortgedingvonnis van 3 oktober 2016 heeft de kantonrechter op vordering van werkneemster werkgever veroordeeld werkneemster toe te laten op de werkvloer en haar in staat te stellen te re-integreren in haar eigen functie, op straffe van een dwangsom van € 1500 per dag dat werkgever hiermee in gebreke blijft tot een maximum aan dwangsommen is verbeurd van € 30.000.

Oordeel

Werkgever voert aan dat het hof bij beschikking van 10 januari 2017 de bodembeschikking van de kantonrechter van 3 juni 2016 heeft vernietigd en de arbeidsovereenkomst van werkneemster alsnog heeft ontbonden, waarmee de grondslag voor de re-integratie en daarmee voor de dwangsommen is komen te vervallen. Deze stelling slaagt. In kort geding dient de rechter zijn uitspraak af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, tenzij de beslissing in de bodemzaak op een klaarblijkelijke misslag berust en de zaak daarmee dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen die bodembeslissing aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht. Het kortgedingvonnis van de kantonrechter bouwde voort op de beschikking van de kantonrechter te Den Haag van 3 juni 2016; deze beschikking ging nog uit van de re-integratie van werkneemster in de eigen werkzaamheden. Bij beschikking van dit hof van 10 januari 2017 is de beschikking van 3 juni 2016 echter vernietigd en is de arbeidsovereenkomst met werkneemster alsnog ontbonden per 1 maart 2017, waarbij de vordering tot wedertewerkstelling werd afgewezen. In kort geding in hoger beroep is daarmee een andere situatie ontstaan, die meebrengt dat het bestreden kortgedingvonnis zal worden vernietigd en dat de vordering van werkneemster tot wedertewerkstelling en re-integratie alsnog zal worden afgewezen. De behandeling van de overige grieven kan bij gebrek aan belang achterwege blijven. De proceskosten in de eerste aanleg zullen in stand worden gelaten, omdat blijkens voormelde beschikking van dit hof van 10 januari 2017 aan werkgever een ernstig verwijt moet worden gemaakt van de verstoring van de arbeidsrelatie die heeft geleid tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van werkneemster, bestaande uit een gebrek aan medewerking aan en tegenwerking bij de re-integratie van werkneemster. De andersluidende bodembeschikking van dit hof en de vernietiging van het kortgedingvonnis zijn daarmee het gevolg van verwijtbaar handelen van werkgever. De kantonrechter heeft in het kortgedingvonnis indertijd op goede gronden de vordering van werkneemster toegewezen. Het hof ziet daarin aanleiding de proceskostenveroordeling in eerste aanleg te bekrachtigen. Verder heeft werkgever niet voldoende toegelicht wat, anders dan de proceskostenveroordeling, haar directe belang is bij deze appelprocedure, omdat is gesteld noch gebleken dat werkneemster aanspraak heeft gemaakt op de dwangsommen, zodat passend is dat zij haar eigen proceskosten draagt. De proceskosten in hoger beroep zullen daarom worden gecompenseerd.