Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Woonwaard/werkneemster
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 3 juli 2017
ECLI:NL:RBNHO:2017:5412

Stichting Woonwaard/werkneemster

Werkgeversverzoek tot ontbinding op e-grond c.q. g-grond afgewezen. Dat werkneemster haar leidinggevende op luide en geïrriteerde toon heeft aangesproken levert geen verwijtbare gedraging op die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt.

Feiten

Werkneemster is op 1 oktober 1998 in dienst getreden bij Woonwaard in de functie van medewerkster van de afdeling Klant Contact Centrum (hierna: KCC). Op 6 oktober 2016 heeft een tweetal incidenten plaatsgevonden tussen werkneemster en haar leidinggevende, naar aanleiding waarvan gesprekken zijn gevoerd. In deze gesprekken heeft de leidinggevende naar voren gebracht dat werkneemster zich jegens haar zou hebben opgesteld op een wijze die door haar als ‘dreigend’ werd ervaren; hetgeen door werkneemster is ontkend. Uit een door Signum Interfocus B.V. verricht onderzoek naar de incidenten is evenmin gebleken dat de bedreigingen hebben plaatsgevonden op een wijze zoals door de leidinggevende gesteld is. Nu in het door partijen gevolgde mediationtraject geen oplossing is bereikt, verzoekt Woonwaard de kantonrechter thans de arbeidsovereenkomst te ontbinden, primair op de e-grond en subsidiair op de g-grond.

Oordeel

Ernstig verwijtbaar handelen (e-grond)

De kantonrechter stelt voorop dat Woonwaard erkent dat niet is komen vast te staan dat werkneemster bedreigingen heeft geuit jegens haar leidinggevende. Hierin kan derhalve geen grond gelegen zijn om te oordelen dat sprake is geweest van verwijtbaar gedrag van werkneemster. In dit verband stelt Woonwaard voorts dat het verwijtbaar gedrag niet zozeer voortvloeit uit de vermeende bedreiging, maar eerder uit de onjuiste wijze waarop werkneemster is omgegaan met de kennis dat haar gedrag door de leidinggevende als bedreigend is ervaren. De kantonrechter oordeelt echter dat nu de bedreiging niet als vaststaand kan worden aangenomen, werkneemster ook niet kan worden verweten dat zij daarmee op onjuiste wijze is omgegaan. Begrijpelijk is dat Woonwaard op dit punt kennelijk meer inlevingsvermogen en begrip van werkneemster had verwacht, maar dit constitueert op zichzelf nog geen verwijtbaar gedrag. De kantonrechter neemt wel als vaststaand aan dat werkneemster haar leidinggevende op (zeer) luide en geïrriteerde toon heeft aangesproken. Deze gedraging is, zoals Woonwaard terecht aanvoert, in strijd met de door haar gehanteerde gedragscode dat werknemers elkaar met respect dienen te bejegenen. In dit verband moet echter worden opgemerkt dat een dergelijke gedraging niet van zodanige aard en gewicht is, dat van Woonwaard in redelijkheid niet meer zou kunnen worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voorts verwijt Woonwaard werkneemster ook dat zij haar geloofwaardigheid, betrouwbaarheid en integriteit heeft verloren, doordat zij aantoonbaar niet steeds het juiste of het hele verhaal vertelt, en vooral doordat zij boosheid en verontwaardiging veinst als zij geconfronteerd wordt met wat haar gedrag bij anderen teweeg heeft gebracht. De kantonrechter ziet echter onvoldoende feitelijke grond voor dit verwijt.

Verstoorde arbeidsverhouding (g-grond)

Het subsidiaire verzoek van Woonwaard om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsverhouding hangt direct en onlosmakelijk samen met de door Woonwaard gestelde verwijtbare gedragingen van werkneemster. Nu hiervoor is geoordeeld dat geen sprake is van verwijtbaar gedrag dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan rechtvaardigen, is er ook geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van Woonwaard redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter de verzoeken van Woonwaard zal afwijzen en de arbeidsovereenkomst dus niet zal worden ontbonden.