Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/ThuisZorgzeker B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 1 augustus 2017
ECLI:NL:RBROT:2017:6076

werkneemster/ThuisZorgzeker B.V.

Afwijzing wedertewerkstelling en loonbetaling gelet op oordeel in verzoekschriftprocedure. Daarin oordeelde de kantonrechter dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen van rechtswege is geëindigd en niet is verlengd.

Feiten

Per 1 maart 2016 is ThuisZorgzeker met werkneemster een proefplaatsingsovereenkomst aangegaan in het kader van de Participatiewet (Social Return). De proefplaatsing is op 1 april 2016 geëindigd. Werkneemster is op 4 april 2016 voor de bepaalde tijd van 12 maanden bij ThuisZorgzeker in dienst getreden in de functie van ‘helpende plus’ voor minimaal 24 uur en maximaal 32 uur per week. De overeenkomst bepaalt dat zij van rechtswege eindigt op 3 april 2017. Daarnaast is tussen partijen op 11 april 2016 een studie/leerovereenkomst gesloten. Werkneemster vordert onder meer wedertewerkstelling en loondoorbetaling.

Oordeel

ThuisZorgzeker betwist het spoedeisend belang van werkneemster bij de door haar gevraagde voorlopige voorzieningen. Dat laat onverlet dat werkneemster de spoedeisendheid van haar vordering in reactie op de betwisting daarvan door ThuisZorgzeker niet (nader) heeft onderbouwd. Zij voert aan dat zij door het uitblijven van de loonbetaling door ThuisZorgzeker niet meer in staat is om haar maandelijkse huurpenningen te voldoen, maar zij laat na om een kopie van haar huurovereenkomst in het geding te brengen waaruit de hoogte van die penningen blijkt, hetgeen wel van haar had mogen worden verwacht. In het kader van dit kort geding is van belang wat de kantonrechter heeft geoordeeld in de verzoekschriftprocedure die bekend is onder zaaknummer 6057237 \ VZ VERZ 17-15680: ‘(….) werkneemster verzoekt om de door haar gestelde opzegging van de arbeidsovereenkomst door ThuisZorgzeker op 5 april 2017 te vernietigen, omdat ThuisZorgzeker heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Om tot een oordeel over de rechtsgeldigheid van de opzegging te komen, dient – gelet op het verweer van ThuisZorgzeker – eerst beoordeeld te worden of er op 5 april 2017 nog een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestond. (...) ThuisZorgzeker heeft aangevoerd dat zij op 28 februari 2017 aan werkneemster zowel mondeling als schriftelijk te kennen heeft gegeven dat haar arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd, als gevolg waarvan de arbeidsovereenkomst op 3 april 2017 van rechtswege is geëindigd. werkneemster betwist dat zij op 28 februari 2017 een gesprek heeft gehad met ThuisZorgzeker en dat zij de aanzegbrief (op die datum/tijdig) heeft ontvangen. (…) Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 5 april 2017, de datum van de vermeende niet-rechtsgeldige opzegging, nog bestond. (…) Het voorgaande leidt ertoe dat alle verzoeken van werkneemster, zowel primair als subsidiair, zullen worden afgewezen.’Werkneemster had – samengevat weergegeven – verzocht om de door haar gestelde opzegging van de arbeidsovereenkomst door ThuisZorgzeker op 5 april 2017 te vernietigen, haar toe te laten tot haar werkzaamheden en ThuisZorgzeker te veroordelen tot betaling van loon vanaf 1 april 2017 en een vergoeding op grond van artikel 7:668 lid 1 BW. Gelet op het voorgaande is het, in het licht van de urgentie van en de prognose ten aanzien van de gevorderde voorzieningen, in samenhang bezien met de afweging van de belangen van partijen, niet aannemelijk dat de vorderingen van werkneemster in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. De door werkneemster gevraagde voorlopige voorzieningen zullen dan ook niet worden verleend.