Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 20 juni 2017
ECLI:NL:GHDHA:2017:2025
werkneemster/BCD Travel Nederland B.V.
Feiten
Werkneemster is op 15 november 1978 in dienst getreden bij BCD. Werkneemster heeft onder meer werkzaamheden verricht voor de ANWB. Wanneer door of op kosten van de ANWB wordt gereisd met een deelnemende vliegmaatschappij, spaart de ANWB Benefit Points. BCD heeft op 17 november 2015 via het interne klokkenluidersysteem melding ontvangen dat er oneigenlijk (privé)gebruik van Benefit Points werd gemaakt. Werkneemster is op 8 januari 2016 op staande voet ontslagen, omdat zij zonder toestemming en medeweten van de ANWB en/of BCD, privéreizen per vliegtuig heeft geboekt met gebruikmaking van de Benefit Points van de ANWB. Werkneemster heeft de kantonrechter onder meer verzocht de opzegging te vernietigen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het aan werkneemster gegeven ontslag op staande voet onverwijld is gegeven en dat het door werkneemster zich zonder toestemming toe-eigenen van aan ANWB toekomende zaken (Benefit Points) een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Werkneemster is in hoger beroep gekomen en verzoekt onder meer (primair) herstel van het dienstverband per 7 januari 2016, en (subsidiair) veroordeling van BCD tot betaling van een billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding.
Oordeel
Ontslag op staande voet Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Door BCD wordt erkend dat de leidinggevende van werkneemster de enige was met toegang tot het account. Werkneemster en haar collega hebben in hoger beroep verklaard dat de vluchten met gebruikmaking van de Benefit Points op instigatie van de leidinggevende zijn geboekt. Dit wordt ondersteund door een verklaring van een medewerkster van ANWB. Het hof acht het aannemelijk dat werkneemster zich niet voldoende heeft gerealiseerd dat het gebruiken van de Benefit Points niet door de beugel kon. Tot slot weegt mee de lange duur van het dienstverband van werkneemster (37 jaar), dat werkneemster altijd goed heeft gefunctioneerd en dat de retourreis die aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd al enige jaren geleden (in 2012) is gemaakt. Het hof stelt verder voorop dat de kantonrechter in de gegeven situatie niet had mogen overgaan tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Immers, het is niet verenigbaar met het ontslagrecht dat de kantonrechter de voorwaardelijke ontbinding zou kunnen uitspreken voor het geval de appel- of verwijzingsrechter tot het oordeel komt dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven. Voorts is het hof van oordeel dat werkneemster niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
(Billijke) vergoeding
Terugkeer van werkneemster naar BCD ligt in de gegeven omstandigheden niet in de rede. Aan werkneemster zal een billijke vergoeding worden toegekend in plaats van herstel. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding neemt het hof in aanmerking dat twee verschillende situaties dienen te worden onderscheiden. Allereerst de situatie dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven en een redelijke grond voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 BW ontbreekt. Indien BCD, in plaats van werkneemster op staande voet te ontslaan, ervoor had gekozen een ontbindingsverzoek in te dienen, zou dit naar het oordeel van het hof de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tot gevolg hebben gehad. Het hof is van oordeel dat de billijke vergoeding in die situatie het gemis aan loondoorbetaling gedurende de te doorlopen ontbindingsprocedure tot aan de (te verwachten) beëindigingsdatum behoort te compenseren. In geval van ontbinding zou de arbeidsovereenkomst naar verwachting zijn geëindigd per 1 juli 2016. Dit resulteert in een toe te kennen billijke vergoeding van (afgerond) € 16.172. Hierop strekt in mindering de gefixeerde schadevergoeding ad € 4.900 wegens het ten onrechte op staande voet ontslaan van werkneemster, zodat per saldo een billijke vergoeding van € 11.272 bruto resteert. Het hof is verder van oordeel dat werkneemster niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zodat tevens de transitievergoeding verschuldigd is.
Schadevergoeding (7:661 BW) Er is geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid in de zin van artikel 7:661 lid 1 BW. Het hof acht echter in de onderhavige zaak sprake van dusdanige ‘omstandigheden van het geval’ in de zin van artikel 7:661 lid 1 BW, dat de door BCD geleden schade wel voor rekening van werkneemster dient te komen. BCD heeft aan ANWB voor het privégebruik van de Benefit Points door haar werknemers een schadevergoeding van € 100.000 betaald. Naar het oordeel van het hof heeft werkneemster ‘bij de uitvoering van de overeenkomst’ als bedoeld in artikel 7:661 BW schade toegebracht aan BCD. Werkneemster wordt veroordeeld tot betaling van het door BCD gevorderde bedrag van € 10.782.