Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 13 september 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:8716
Caradon Stelrad B.V./werknemer
Feiten
Werknemer is van 24 oktober 2013 tot 1 december 2016 als operator bij Caradon in dienst geweest. Aan de arbeidsrelatie is een einde gekomen door een op 1 november 2016 door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst (te kwalificeren als beëindigingsovereenkomst in de zin van art. 7:670b BW). Van die overeenkomst maakt een artikel 8 deel uit, waarin Caradon en werknemer zich verplichten zich in het vervolg in het maatschappelijke verkeer zorgvuldig ten opzichte van elkaar te gedragen en zich te onthouden van ‘(mogelijk) negatieve, schadelijke en/of (anderszins) ongunstige uitlatingen over elkander alsmede (ex-)collega’s en relaties, alles in de ruimste zin van het woord’. Aan het eerste lid van het artikel dat dit gedragsvoorschrift bevat, is als lid 2 een boetebepaling toegevoegd die de overtreder onder meer een direct opeisbare boete van € 10,000 per overtreding voorhoudt. Volgens Caradon heeft werknemer zich begin januari 2017 ‘meerdere keren negatief uitgelaten over Stelrad’ (Caradon). Caradon vordert de veroordeling van werknemer tot betaling van een bedrag van € 10.875.
Oordeel
De ontslagkwestie die met een op 1 november 2016 door partijen ondertekend stuk geregeld leek, raakt klaarblijkelijk aan beide zijden nog steeds een gevoelige snaar. Hoewel de omstandigheden waaronder de wederzijdse uitlatingen gedaan zijn, en waarschijnlijk ook de intentie en/of de inhoud ervan, niet vergelijkbaar zijn, toont het feit dat de behoefte tot het doen van uitlatingen die de wederpartij direct of indirect betreffen, onbedwingbaar is. De vraag is dan ook of het bewuste artikel in de beëindigingsovereenkomst in het licht van de bedoeling ervan zo ruim mag/moet gelezen worden als eerst Caradon in haar vordering en later werknemer in diens ‘compensatieverklaring’ geneigd is te doen. Vast staat dat met het één (de primaire vordering) noch het ander (de in verrekening te brengen tegenvordering) de pijlen gericht worden op een ‘onzorgvuldige gedraging in het maatschappelijke verkeer’ van de ander, het eerste onderdeel dat artikel 8.1 beoogt aan een regel te binden. Maar juist de beperking in het tweede onderdeel, de ‘uitlatingen’, gaat naar de letter zo ver, mede door de toevoeging ‘in de ruimste zin des woords’, dat dit tot absurde en de grenzen van de persoonlijke levenssfeer verre overschrijdende en dus onwenselijke gevolgen kan leiden. En zelfs tot een verbod om in een procedure als de onderhavige mededelingen te doen over de werkelijkheid achter de papieren realiteit van een schriftelijke overeenkomst, terwijl tegelijkertijd artikel 21 Rv partijen in haar processuele uitingen tot waarheid en volledigheid verplicht. Hier staan nu twee claims tegenover elkaar die elk voor zich een letterlijke basis in het aan elkaar opgelegde verbod zouden kunnen vinden. In het ene geval laat werknemer zich verleiden om in het wel heel erg compacte (zij het ook voor buitenstaanders die dit per se willen, toegankelijke) ‘sociale verkeer’ van een Facebook-vriendengroep van in totaal 39 personen soms niet al te tactvolle opmerkingen te maken, waaruit echter voor geen buitenstaander kenbaar is waarover het gaat. Hoe onverstandig en onbegrijpelijk dit sociale geleuter op Facebook ook hier weer uitpakt, niet vol te houden valt dat Caradon en haar werknemers dan wel relaties zich aan deze tamelijk onbenullige uitwisseling van praatzieke babbelaars een buil den kunnen vallen. Voor het vervallen achten van een boete van liefst € 10.000 is waarlijk meer nodig dan het feit dat Caradon mogelijk bij toeval, maar wellicht door daar zonder noodzaak naar op te zoek te gaan, gestuit is op deze vrij kinderachtige uitwisseling van weinig diepzinnige maar op zichzelf onschadelijke gedachten van een of meer ex-werknemers op Facebook. De vordering van Caradon wordt afgewezen.