Naar boven ↑

Rechtspraak

Grindacc B.V. c.s./werknemers
Hoge Raad, 15 september 2017
ECLI:NL:HR:2017:2227

Grindacc B.V. c.s./werknemers

Werkgeefster heeft op grond van goed werkgeverschap een waarschuwingsplicht ten aanzien van risico’s als gevolg van wijziging pensioenregeling. Artikel 81 RO.

Feiten

Drie werknemers (hierna: verweerders) zijn allen bij aanvang van het dienstverband met werkgeefster (een accountants- en belastingadvieskantoor) een pensioenvoorziening overeengekomen, die een zogeheten (gematigde) eindloonregeling behelsde. Op grond van die regeling (verder te noemen: de eindloonregeling) zouden verweerders vanaf hun 65ste levensjaar levenslang een gegarandeerd ouderdomspensioen uitgekeerd krijgen, waarvan de hoogte was gebaseerd op het tussen het 55ste en 65ste levensjaar gemiddeld verdiende salaris. Werkgeefster was voornemens de eindloonregeling met ingang van 1 januari 1996 te vervangen door een nieuwe pensioenregeling, de Pensioenregeling 1999. De Pensioenregeling 1999 behelst een zogenaamde ‘beschikbarepremieregeling’, waarbij de hoogte van de te zijner tijd te ontvangen pensioenuitkering niet is gegarandeerd, maar afhankelijk is van het bij het 65ste jaar beschikbare kapitaal en de (markt)omstandigheden op dat moment (met name de rekenrente en de gemiddelde levensverwachting). Verweerders zijn in de loop van het jaar 1999 akkoord gegaan met de Pensioenregeling 1999 per 1 januari 1999. Daarbij hebben zij tevens ingestemd met de overdracht van hun onder de eindloonregeling opgebouwde pensioenkapitaal (waardeoverdracht) naar de Pensioenregeling 1999. Verweerders hebben werkgeefster bij brieven van 23 juli 2009 en 18 februari 2010 aansprakelijk gesteld voor de geleden schade als gevolg van de overstap van de eindloonregeling naar de Pensioenregeling 1999. Volgens verweerders heeft werkgeefster hen onvoldoende dan wel onvolledig gewezen op de risico’s van de pensioenomzetting (de Pensioenregeling 1999 is 20 tot 47% lager dan bij de eindloonregeling het geval zou zijn geweest). De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Bij tussenarrest van 8 april 2014 heeft het Gerechtshof Den Haag op vordering van werkgeefster toegestaan dat B in vrijwaring wordt opgeroepen. Nadat gebleken is dat partijen niet tot overeenstemming kwamen, heeft het hof bij eindarrest van 16 februari 2016 in de hoofdzaak werkgeefster veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding als gevolg van de schending van het goed werkgeverschap, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Bij hetzelfde arrest heeft het hof in de vrijwaringszaak het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter vernietigd en B veroordeeld tot betaling aan elk van appellanten van het bedrag waartoe elk van hen in de hoofdzaak zal worden veroordeeld, met veroordeling van B in de kosten van het geding in vrijwaring in beide instanties en afwijzing van het meer of anders gevorderde.

Conclusie A-G (De Bock)

Onderdeel I is gericht het oordeel van het hof dat werkgeefster haar beroep op verjaring onvoldoende heeft onderbouwd. Niet gezegd kan worden dat ’s hofs oordeel dat werkgeefster onvoldoende heeft gesteld op welk moment verweerders bekend is geworden met de schade als gevolg van de waardeoverdracht onjuist of onbegrijpelijk is. De stellingen plaatst werkgeefster duidelijk in de sleutel van bevrijdende verjaring. Gelet op de vrijheid die de feitenrechter toekomt bij de interpretatie van de gedingstukken en de daarmee corresponderende beperkte toets in cassatie, is het zeker niet onbegrijpelijk dat het hof in de stellingen niet (ook) een beroep op de klachtplicht heeft gelezen. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat artikel 6:89 BW niet ambtshalve mag worden toegepast, maar dat de schuldenaar daarop een beroep moet doen. Met dit uitgangspunt valt moeilijk te rijmen dat de rechter een beroep op de klachtplicht al te gemakkelijk in de gedingstukken zou mogen ‘inlezen’, laat staan moeten inlezen. De klachten falen.

Onderdeel II bestrijdt ’s hofs oordeel dat van werkgeefster als goed werkgever gevergd had kunnen worden dat zij verweerders waarschuwde dat zij met de waardeoverdracht een (te) groot risico namen. Nu is alleen nog aan de orde de vraag waartoe werkgeefster op grond van de uit de norm van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) voortvloeiende zorgplicht gehouden was bij ‘keuze 2’, te weten wél of geen waarde-inbreng van het reeds opgebouwde pensioenkapitaal in de nieuwe pensioenregeling. Het hof overweegt dat gevergd had kunnen worden dat werkgeefster verweerders waarschuwde dat zij hiermee een (te) groot risico namen. Voor zover het zo moet worden gelezen dat het betoogt dat het goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) – anders dan in een situatie van eenzijdige wijziging (al dan niet door middel van een wijzigingsbeding (art. 7:613 BW), waarbij de pensioenovereenkomst zonder (nadere) instemming van de werknemer wordt gewijzigd) – in een situatie van wijziging van arbeidsvoorwaarden mét instemming van de werknemers geen rol kan spelen, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op de vérgaande consequenties van de waarde-inbreng voor het gehele pensioen van verweerders – namelijk het blootstellen van het gehele pensioen aan de genoemde risico’s – behoorde werkgeefster in het kader van de uit het goed werkgeverschap voortvloeiende waarschuwingsplicht, na te gaan of verweerders zich daadwerkelijk realiseerden dat door de waarde-inbreng de risico’s zouden gelden voor hun gehele pensioen. Dat verweerders een vrijwillige keuze hadden, maakt dit niet anders; de waarschuwingsplicht heeft immers juist tot doel bescherming te bieden tegen het lichtvaardig maken van een eigen keuze in situaties als de onderhavige. Het oordeel van het hof geeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Oordeel

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep onder verwijzing naar artikel 81 RO.