Naar boven ↑

Rechtspraak

X/staatssecretaris van Financiën
Hof van Justitie van de Europese Unie, 13 september 2017
ECLI:EU:C:2017:674

X/staatssecretaris van Financiën

Werknemer die slechts 6,5% werkzaamheden in andere lidstaat verricht, kan niet geacht worden in twee lidstaten werkzaamheden in loondienst te hebben verricht waardoor ‘woonland’-beginsel niet van toepassing is.

Feiten

In 2009 is X, die de Nederlandse nationaliteit heeft en in dat jaar in België woonde, 1872 uren voor een in Nederlandse gevestigde werkgever werkzaam geweest als accountmanager en relatiemanager telecommunicatie. Van die 1872 uren heeft hij 121 uren, dat wil zeggen ongeveer 6,5% van het totale aantal arbeidsuren, in België gewerkt. Het betrof 17 uren die zijn besteed aan het bezoeken van klanten en 104 uren waarop belanghebbende thuis heeft gewerkt. De werkzaamheden in België werden niet volgens een vast patroon verricht en in het arbeidscontract was geen regeling getroffen over het verrichten van werkzaamheden in België. De overige werkzaamheden die X in 2009, gedurende 1751 uren, voor zijn werkgever heeft verricht, waren werkzaamheden in Nederland, zowel op kantoor als tijdens bezoeken aan potentiële klanten. Het geding van X tegen de staatssecretaris van Financiën betreft de berekening van de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2009. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (Nederland) heeft in het hoger beroep tegen de beslissing van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Nederland) geoordeeld dat X in 2009 louter incidenteel werkzaamheden in België heeft verricht. Het heeft daarop geconcludeerd dat die werkzaamheden bij het bepalen van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving buiten beschouwing dienen te blijven en dat op grond van artikel 13 lid 2 onderdeel a van Verordening nr. 1408/71 voor het jaar 2009 uitsluitend de Nederlandse wetgeving toepasselijk is. De Hoge Raad der Nederlanden heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een beslissing over de volgende prejudiciële vraag: ‘Naar welke maatstaf of maatstaven moet worden beoordeeld welke wetgeving door verordening (…) nr. 1408/71 als toepasselijk wordt aangewezen in het geval van een in België wonende werknemer die het overgrote deel van zijn werkzaamheden voor zijn Nederlandse werkgever in Nederland verricht, en daarnaast 6,5 percent van die werkzaamheden in het desbetreffende jaar verricht in België, thuis en bij klanten, zonder dat daarbij sprake is van een vast patroon en zonder dat met zijn werkgever afspraken zijn gemaakt over het verrichten van werkzaamheden in België?’

Oordeel

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.

Werknemer die slechts 6,5% werkzaamheden in andere lidstaat verricht, kan niet geacht worden in twee lidstaten werkzaamheden in loondienst te hebben verricht

Er zij aan herinnerd dat de bepalingen van titel II van Verordening nr. 1408/71, waarvan artikel 14 lid 2 deel uitmaakt, volgens vaste rechtspraak van het Hof een volledig en eenvormig stelsel van conflictregels vormen, dat tot doel heeft de werknemers die zich binnen de Europese Unie verplaatsen onder de socialezekerheidsregeling van één lidstaat te brengen, teneinde te voorkomen dat meerdere nationale wettelijke regelingen toepasselijk zijn en dat daaruit complicaties kunnen voortvloeien (arrest van 4 oktober 2012, Format Urządzenia i Montaże Przemysłowe, C-115/11, ECLI:EU:C:2012:606, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Daartoe legt artikel 13 lid 2 onderdeel a van Verordening nr. 1408/71 het beginsel vast dat op de persoon die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont (zie in die zin arrest van 4 oktober 2012, Format Urządzenia i Montaże Przemysłowe, C-115/11, ECLI:EU:C:2012:606, punt 30). Dat beginsel geldt echter ‘[o]nder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17’ van Verordening nr. 1408/71. In een aantal bijzondere gevallen zou strikte toepassing van de in artikel 13 lid 2 onderdeel a van die verordening neergelegde algemene regel immers ertoe kunnen leiden dat zowel voor de werknemer als voor de werkgever en de socialezekerheidsorganen juist administratieve complicaties worden geschapen in plaats van vermeden, waardoor de uitoefening van het vrije verkeer door de onder die verordening vallende personen zou kunnen worden belemmerd (arrest van 4 oktober 2012, Format Urządzenia i Montaże Przemysłowe, C-115/11, ECLI:EU:C:2012:606, punt 31). Volgens artikel 14 lid 2 onderdeel b onder i van Verordening nr. 1408/71 is op degene die op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen, de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont van toepassing, indien hij een deel van zijn werkzaamheden op dat grondgebied uitoefent. Voor de beoordeling of gewoonlijk en in aanzienlijke mate werkzaamheden op het grondgebied van twee of meer lidstaten worden uitgeoefend, moet erop worden gewezen dat het Hof in zijn arrest van 16 februari 1995, Calle Grenzshop Andresen (C-425/93, ECLI:EU:C:1995:37), heeft geoordeeld dat de situatie van een werknemer die in een lidstaat woont, die in dienst is van een onderneming waarvan de zetel zich in een andere lidstaat bevindt en die in het kader van die arbeidsverhouding een deel van zijn werkzaamheden geregeld – tien uren per week – in zijn woonlidstaat verricht, onder artikel 14 lid 2 onderdeel b onder i van Verordening nr. 1408/71 valt. Ook heeft het Hof geoordeeld dat een persoon die werkzaamheden anders dan in loondienst ongeveer voor de helft van de tijd op het grondgebied van zijn woonlidstaat en voor de helft van de tijd op het grondgebied van een andere lidstaat verricht, moet worden geacht gewoonlijk werkzaamheden anders dan in loondienst op het grondgebied van twee lidstaten te verrichten in de zin van artikel 14 bis van Verordening nr. 1408/71 (zie in die zin arrest van 13 oktober 1993, Zinnecker, C-121/92, ECLI:EU:C:1993:840, punten 15-18). In de onderhavige zaak volgt uit de verwijzingsbeslissing dat in de arbeidsovereenkomst in het hoofdgeding niet was bepaald dat X werkzaamheden op het grondgebied van zijn woonlidstaat zou verrichten. Bovendien zou belanghebbende slechts ongeveer 6,5% van het totaal van de door hem in het betrokken jaar gewerkte uren in die lidstaat, voornamelijk thuis, hebben gewerkt. In die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat een persoon zoals in het hoofdgeding gewoonlijk werkzaamheden van betekenis op het grondgebied van zijn woonlidstaat verricht. Wanneer wordt aanvaard dat het feit dat een persoon van alle uren die hij over een jaar ten behoeve van zijn op het grondgebied van een lidstaat gevestigde werkgever heeft verricht, slechts 6,5% van die uren op het grondgebied van een andere lidstaat, die zijn woonstaat is, heeft gewerkt, zonder dat dat vooraf met die werkgever was overeengekomen, toepassing van artikel 14 lid 2 van Verordening nr. 1408/71 kan rechtvaardigen, zou er in de eerste plaats aan voorbij worden gegaan dat aanknoping bij de woonlidstaat een afwijking van de regel vormt en zou in de tweede plaats het gevaar ontstaan dat de in titel II van die verordening neergelegde conflictregels worden ontweken, zoals de advocaat-generaal in punt 29 van zijn conclusie opmerkt. Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 14 lid 2 onderdeel b onder i van Verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon als in het hoofdgeding, die in loondienst werkzaam is voor rekening van een op het grondgebied van een lidstaat gevestigde werkgever en die woont in een andere lidstaat, op het grondgebied waarvan hij in het betreffende jaar een deel van die werkzaamheden in loondienst – 6,5% van zijn arbeidsuren – heeft verricht, zonder dat dit vooraf met zijn werkgever was overeengekomen, niet moet worden beschouwd als een persoon die werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van twee lidstaten pleegt uit te oefenen in de zin van die bepaling.