Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 20 september 2017
ECLI:NL:RBAMS:2017:6796
Stebopa Montage B.V./UWV
Feiten
De Esbi-groep is een concern dat zich bezighoudt met het ontwerpen en produceren van buitenreclame. In dit concern was Esbi B.V. (hierna: Esbi) belast met de acquisitie en deden Stebopa Stellingbouw B.V. (hierna: Stellingbouw) en Stebopa Beletteringssystemen B.V. (hierna: Beletteringssystemen) de uitvoerende werkzaamheden. In 2012 heeft het Esbi-concern twee reorganisaties doorgevoerd. In de eerste reorganisatie werden bij Stellingbouw drie werknemers ontslagen via een onderlinge regeling. In maart 2013 heeft Hoek en Blok Accountants – in het kader van de tweede reorganisatie – namens Stellingbouw en Beletteringssystemen bij het UWV een ontslagvergunning aangevraagd voor negen werknemers van Stellingbouw en vier werknemers van Beletteringssystemen. Het UWV heeft het verzoek daartoe afgewezen op de grond dat het aantal vervallen arbeidsplaatsen niet in verhouding stond tot de omzetvermindering sinds 2012. Vervolgens heeft Stellingbouw de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomsten te ontbinden. De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen en geoordeeld dat hij slechts marginaal toetst omdat het UWV de geëigende instantie is om een oordeel te geven over bedrijfseconomische omstandigheden. Op 20 augustus 2013 is Stellingbouw failliet verklaard. Stebopa Montage vordert thans een verklaring voor recht dat het UWV onrechtmatig heeft gehandeld door een onzorgvuldig besluit te nemen op de ontslagaanvragen van Stellingbouw. Aan de vordering legt zij ten grondslag dat het UWV onjuiste gegevens heeft gebruikt en veel verder is gegaan dan het aanleggen van een marginale toets. Als het UWV juist had gehandeld, zouden de ontslagvergunningen zijn verleend en was Stellingbouw niet failliet gegaan. Stebopa Montage stelt het UWV aldus aansprakelijk voor de door Stellingbouw geleden schade.
Oordeel
Besluit UWV onrechtmatig
De rechtbank oordeelt als volgt. In de eerste plaats dient te worden onderzocht of het besluit tot weigering van de ontslagvergunningen onzorgvuldig tot stand is gekomen. Stebopa Montage heeft in dit verband met juistheid gesteld dat het besluit ten onrechte vermeldt dat sprake was van een omzet van € 3 miljoen. In de ontslagaanvragen heeft Stellingbouw namelijk duidelijk aangegeven dat het ging om een omzet van ‘meer dan € 2,5 miljoen’ en dat dit de omzet was bij Beletteringssystemen. Hoewel het besluit onjuist is, leidt het echter tot niets, nu niet gebleken is dat het besluit anders zou zijn uitgevallen indien het UWV het correcte cijfer had vermeld. In de tweede plaats kan worden vastgesteld dat het UWV de ontslagaanvragen heeft geweigerd omdat het het ontslag van negen werknemers niet proportioneel achtte in verhouding tot slechts drie ontslagen werknemers in het kader van de eerste reorganisatie. Daarnaast had de omzet van Stellingbouw zich vanaf 2012 minder dramatisch ontwikkeld dan in de periode tussen 2009 en 2012. Voorts acht de rechtbank van belang dat het UWV niet bevoegd is om een verzoek tot het geven van meerdere ontslagvergunningen slechts gedeeltelijk toe te wijzen. In het licht van de laatstgenoemde omstandigheid kan dan ook worden verklaard dat het UWV het verzoek in het geheel heeft afgewezen. Onverminderd het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat het derhalve onrechtmatig is jegens Stellingbouw. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat het UWV heeft erkend dat de ontslagaanvragen niet hadden mogen worden afgewezen zonder dat Stellingbouw eerst de gelegenheid had gekregen aan te tonen dat de in 2013 voorgenomen ontslagen ook in het licht van de eerdere reorganisatie in 2012 proportioneel waren. Ten aanzien van het antwoord op de vraag of Stellingbouw ten gevolge van het onrechtmatige besluit van het UWV schade heeft geleden, wordt iedere verdere beslissing aangehouden. Stebopa Montage wordt door de rechtbank in de gelegenheid gesteld bij aktes de door haar gestelde schadeposten nader te onderbouwen.