Rechtspraak
werknemer/werkgever
Feiten
Werknemer is op 29 december 2014 bij X B.V. (hierna: X) in dienst getreden in de functie van medewerker glastuinbouw tegen een salaris van € 1.783,90 per 4 weken, exclusief 8% vakantietoeslag. Op 24 januari 2018 heeft werknemer een agressieve houding tegenover zijn teamleider aangenomen toen deze laatste hem erop aansprak dat hij onder werktijd voortdurend met zijn collega aan het praten was. Als gevolg van dit incident heeft werknemer de bedrijfsruimte verlaten, hetgeen door X wordt opgevat als werkweigering. Partijen hebben vervolgens op 25 januari 2018 een gesprek gevoerd om nadere afspraken omtrent werkhervatting te maken. Omdat werknemer afkomstig is uit Polen en de Nederlandse taal niet machtig is, was tijdens dit gesprek een tolk aanwezig. Toen het incident van 24 januari 2018 ter sprake kwam, heeft werknemer zich wederom bedreigend en intimiderend uitgelaten. Ook heeft X van de tolk begrepen dat werknemer zijn leidinggevenden tijdens dit gesprek heeft uitgescholden. Op diezelfde dag heeft X werknemer op staande voet ontslagen. Werknemer heeft op zitting aangegeven in het gegeven ontslag op staande voet te berusten en verzoekt thans een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, transitievergoeding en billijke vergoeding.
Oordeel
Ontslag op staande voet
Allereerst wordt geoordeeld dat de werkweigering van 24 januari 2018 het ontslag op staande voet niet kan dragen. Voor werkweigering is vereist dat de werkgever de werknemer een duidelijke opdracht geeft aan het werk te gaan. Hiervan is niet gebleken. Bovendien heeft werknemer in dit verband geen ontslag op staande voet gekregen, maar louter een ‘sommatie tot werkhervatting’. Verder oordeelt de kantonrechter dat X het verwijt dat werknemer zich bedreigend en intimiderend heeft uitgelaten, onvoldoende concreet heeft gemaakt. Zo is niet komen vast te staan welke beledigende uitingen door werknemer zijn gedaan en dat de door X gestelde ‘stemverheffing’ van werknemer als schelden moet worden opgevat. Daarnaast heeft X geen verklaring van de tolk overgelegd, met daarin een letterlijke weergave van de woorden die werknemer tegenover zijn leidinggevenden zou hebben gebruikt. De kantonrechter concludeert dan ook dat het door X gegeven ontslag op staande niet rechtsgeldig is gegeven.
Gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding
Doordat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, is X aan werknemer een vergoeding wegens onregelmatige opzegging – ter hoogte van een maandsalaris – verschuldigd. Ook is X aan werknemer een transitievergoeding ten bedrage van € 2.087 bruto verschuldigd.
Billijke vergoeding
Het ten onrechte gegeven ontslag op staande voet brengt eveneens met zich dat X ernstig verwijtbaar jegens werknemer heeft gehandeld en derhalve aan deze laatste een billijke vergoeding is verschuldigd. Bij het berekenen van de hoogte van de billijke verhouding houdt de kantonrechter rekening met de volgende omstandigheden: (1) hoewel werknemer aangeeft nog geen ander werk te hebben gevonden, is het de kantonrechter ambtshalve bekend dat in de regio Midden-Limburg een groot tekort bestaat aan werknemers ten behoeve van de tuinbouw en kassencultuur, zodat aangenomen kan worden dat werknemer op korte termijn ander werk zal vinden, (2) het feit dat werknemer de Nederlandse taal niet machtig is, hoeft niet aan het vinden van een nieuwe baan in de weg te staan, mede gelet op het grote aantal buitenlandse werknemers dat in voornoemde regio werk heeft gevonden, (3) er heeft al enige compensatie plaatsgevonden doordat aan werknemer een transitievergoeding is toegekend en (4) werknemer heeft zich van een advocaat moeten voorzien om de onderhavige kwestie recht te zetten. Met inachtneming van al deze omstandigheden oordeelt de kantonrechter dat werknemer recht heeft op een billijke vergoeding van € 4.000 bruto.