Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 31 juli 2018
ECLI:NL:GHDHA:2018:1862
werknemer/Media Markt Alexandrium B.V.
Feiten
Werknemer is op 5 januari 2015 bij Media Markt in dienst getreden. Op 4 november 2016 heeft Media Markt werknemer per 1 november 2016 op staande voet ontslagen wegens ongeoorloofd verzuim/werkweigering. Op 14 augustus 2017 heeft werknemer een verzoek ingediend bij de kantonrechter tot vernietiging van het ontslag op staande voet. De kantonrechter heeft werknemer niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek, nu hij dit niet heeft ingediend binnen de in artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW genoemde vervaltermijn van twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geƫindigd. Werknemer heeft zich erop beroepen dat het toepassen van artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De kantonrechter heeft dit beroep verworpen.
Oordeel
In zijn grief stelt werknemer dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat werknemer de ontslagbrief van 1 november 2016 omstreeks die tijd heeft ontvangen of moe(s)t hebben ontvangen. Werknemer voert aan dat hij zich als gevolg van zijn psychische klachten nagenoeg niets meer kan herinneren van de periode 1 augustus 2016 tot ongeveer juli 2017, en hij bij gebrek aan wetenschap en kennis ontkent dat hij de ontslagbrief omstreeks november 2016 heeft ontvangen. Het hof verwerpt de grief. Vast staat dat de ontslagbrief zich bevond bij de administratieve stukken die werknemer in 2017 aan mevrouw Y ter beschikking heeft gesteld. Bij gebreke van enige andere verklaring over de wijze en het moment waarop werknemer in het bezit is geraakt van de brief, kan redelijkerwijs niet anders worden geconcludeerd dan dat werknemer deze brief kort na dagtekening ervan, dus in november 2016, heeft ontvangen. De grieven richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat werknemer niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. Het hof overweegt hierover het volgende. De kantonrechter is er terecht van uitgegaan dat toepassing van de in artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW genoemde vervaltermijn van twee maanden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn, maar dat de rechter bij de honorering van een dergelijk beroep grote terughoudendheid dient te betrachten. De stelling van Media Markt dat het een absolute vervaltermijn betreft, die niet op grond van de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing kan worden gesteld, wordt verworpen. Het hof overweegt in dit verband dat uit de door werknemer overgelegde medische stukken voldoende blijkt dat hij in de periode rond zijn ontslag op staande voet ernstig psychisch ziek was, waarvoor hij enige tijd intensief is behandeld en waarvan hij ook thans nog niet volledig is hersteld. Dit betekent echter niet dat hij in de gehele periode vanaf zijn ontslag op 4 november 2016 tot aan zijn verzoekschrift van 14 augustus 2017 niet eerder in staat is geweest om, eventueel met bijstand van familie of mevrouw Y, de nietigheid van zijn ontslag in te roepen. Echter, ook als het hof ervan uitgaat dat werknemer tot aan de bijstand van mevrouw Y niet in staat was om het ontslag op staande voet aan te vechten, dan nog heeft werknemer naar het oordeel van het hof te lang gewacht met de indiening van zijn verzoek. Uit de ziekmelding met terugwerkende kracht door mevrouw Y van werknemer bij het UWV volgt dat zij bekend moet zijn geweest met het arbeidsverleden van werknemer bij Media Markt, en het feit dat aan deze arbeidsovereenkomst een einde was gekomen. Ervan uitgaande dat mevrouw Y vanaf begin juni 2017 werknemer bijstand heeft verleend voor zijn financiƫn, dan nog is er meer dan twee maanden verstreken tot de uiteindelijke indiening van het verzoek tot vernietiging van het ontslag op 14 augustus 2017. Uit het bovenstaande volgt dat het hof het oordeel van de kantonrechter dat werknemer niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, deelt. Dit brengt mee dat de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd zal worden.