Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 7 augustus 2018
ECLI:EU:C:2018:653
Bichat c.s./Aviation Passage Service Berlin GmbH & Co. KG
Feiten
Bichat was sedert 1 mei 1988 werkneemster van APSB en haar rechtsvoorganger op het gebied van passagiersbijstand op de luchthaven Tegel in Berlijn (Duitsland). Chlubna en Walkner hebben een vergelijkbare positie bekleed vanaf 1 mei 1992. APSB werkte uitsluitend voor GlobeGround Berlin GmbH & Co. KG (hierna: GGB), die actief is op verschillende gebieden die verbandhouden met luchthavens. In de loop van 2008 is deze vennootschap verworven door de groep WISAG, die enkele herstructureringen heeft doorgevoerd. Omdat GGB verlieslatend was, heeft zij vanaf 30 juni 2014 en in verschillende stappen de met APSB gesloten overeenkomsten beëindigd en deze laatste ervan in kennis gesteld dat de te leveren diensten vanaf dan zouden worden toevertrouwd aan ondernemingen buiten de groep. Laatstgenoemden hebben geen personeelsleden van APSB overgenomen. Op 22 september 2014 heeft GGB, tijdens een vergadering van de vennoten van APSB, in haar hoedanigheid van enige vennoot met stemrecht, beslist de activiteiten van APSB met ingang van 31 maart 2015 te staken en de voor de uitoefening van die activiteiten opgezette organisatie op te heffen. In januari 2015 heeft APSB de ondernemingsraad in kennis gesteld van het voornemen tot collectief ontslag en hem over dit onderwerp gehoord, zonder dat zij daarna echter rekening heeft gehouden met het verzet van deze raad. Op 29 januari 2015 is Bichat, Chlubna en Walkner aangezegd dat hun arbeidsverhouding met ingang van 31 augustus 2015 zou eindigen. Tegen deze collectieve ontslagen zijn meerdere procedures ingeleid, die met succes zijn bekroond. Op 10 juni 2015 heeft APSB de ondernemingsraad meegedeeld dat zij voornemens was om weer tot collectief ontslag over te gaan. Dat laatste heeft op 27 juni 2015 plaatsgevonden, ditmaal met ingang van 31 januari 2016. In die context heeft GGB te kennen gegeven dat de redenen dezelfde waren als de redenen bij het vorige collectieve ontslag. Het Landesarbeitsgericht Berlin-Brandenburg (arbeidsrechter in tweede aanleg van de deelstaten Berlijn-Brandenburg) is van oordeel dat de uitkomst van de bij hem aanhangige gedingen mede afhangt van de uitlegging van artikel 2, lid 4, van Richtlijn (EG) nr. 98/59. Deze rechter wijst er in dat verband op dat § 17 KSchG, die een nagenoeg letterlijke omzetting van artikel 2 van genoemde richtlijn in nationaal recht is, op nationale schaal leidt tot verschillen van inzicht wat de uitlegging van met name het begrip 'over de werkgever zeggenschap uitoefenende onderneming' betreft. Bij een extensieve uitlegging van dit begrip, die ook ziet op ondernemingen die vennootschapsrechtelijk geen verbonden ondernemingen zijn maar slechts de jure of de facto onder zeggenschap staan, zouden de ontslagen in de hoofdzaken nietig kunnen zijn, terwijl zij dat bij een restrictieve uitlegging niet zouden zijn. Hierover zijn prejudiciële vragen gesteld.
Oordeel
Uit een uitlegging van de totstandkomingsgeschiedenis en de doelstelling van artikel 2, lid 4, eerste alinea, van Richtlijn (EG) nr. 98/59 vloeit voort dat het begrip 'over de werkgever zeggenschap uitoefenende onderneming' in de eerste plaats doelt op elke onderneming die, omdat zij tot dezelfde groep behoort of een deelneming in het maatschappelijk kapitaal heeft die haar binnen de algemene vergadering en/of de besluitvormingsorganen binnen de werkgever de meerderheid van de stemmen verleent, de werkgever kan dwingen een besluit te nemen waarmee collectief ontslag wordt overwogen of daartoe wordt overgegaan. Voorts moet worden geoordeeld dat onder dat begrip ook situaties vallen waarin een onderneming weliswaar niet beschikt over de meerderheid van de stemmen, maar beslissende invloed kan uitoefenen, die tot uitdrukking komt in de resultaten van de stemmingen die binnen de vennootschappelijke organen worden gehouden, en dit onder meer omdat het maatschappelijk kapitaal van de werkgever sterk verdeeld is, omdat betrekkelijk weinig vennoten aan de vergaderingen deelnemen of omdat er binnen de werkgever afspraken tussen de vennoten bestaan. In de tweede plaats kunnen, wil het rechtszekerheidsbeginsel worden beschermd, zuiver feitelijke criteria, zoals het bestaan van een gemeenschappelijk vermogensrechtelijk belang van de werkgever en de andere onderneming of dat van een 'welbegrepen eigen belang van de onderneming om aan de bij richtlijn 98/59 voorgeschreven verplichtingen inzake voorlichting, raadpleging en kennisgeving te voldoen', dat door de Europese Commissie is geopperd in haar schriftelijke en mondelinge opmerkingen, geen grond opleveren voor het oordeel dat dan sprake zou zijn van een situatie waarin een onderneming zeggenschap over de werkgever uitoefent. Bovendien staat vast dat een louter contractuele relatie niet voldoende kan worden geacht om tot de vaststelling van een zeggenschapsverhouding in de zin van artikel 2, lid 4, eerste alinea, van Richtlijn (EG) nr. 98/59 te komen, aangezien een onderneming op basis van een dergelijke relatie niet in staat is beslissende invloed op de ontslagbeslissingen van de werkgever uit te oefenen. Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 4, eerste alinea, van Richtlijn (EG) nr. 98/59 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip 'over de werkgever zeggenschap uitoefenende onderneming' doelt op elke onderneming die met die werkgever is verbonden door middel van deelnemingen in het maatschappelijk kapitaal van die laatste of door middel van andere juridische banden die haar in staat stellen beslissende invloed op de besluitvormingsorganen van de werkgever uit te oefenen en hem te dwingen collectief ontslag te overwegen of daartoe over te gaan. De overige vragen hoeven niet te worden beantwoord.