Rechtspraak
werknemer/Bam Infra Telecom B.V.
Feiten
Werknemer is op 1 oktober 1979 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij BAM in de functie van monteur. Werknemer heeft zich op 10 december 2014 arbeidsongeschikt gemeld. BAM heeft bij brief van 23 september 2016 aan werknemer medegedeeld dat zij met ingang van 26 september 2016 de betaling van zijn loon zou stopzetten, omdat werknemer, kort samengevat, onvoldoende meewerkte aan zijn re-integratie. Bam heeft vervolgens een ontbindingsverzoek ingediend op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW (verwijtbaar handelen of nalaten). BAM heeft verder aangevoerd dat werknemer op grond van ernstig verwijtbaar handelen geen recht heeft op een transitievergoeding (art. 7:673 lid 7 sub c BW). De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsrelatie ontbonden en bepaald, voor zover het ontbindingsverzoek niet wordt ingetrokken, dat BAM aan werknemer een transitievergoeding verschuldigd is van € 74.312 bruto. BAM heeft het verzoek tot ontbinding voor 12 december 2016 ingetrokken. Het hof heeft geoordeeld dat de kantonrechter in dit geval voldoende reden en aanleiding had om een voorwaardelijke beschikking te geven. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in cassatie.
Oordeel
Gelegenheid intrekken ontbindingsverzoek bij veroordeling betaling transitievergoeding
Onderdeel 1 betoogt dat rechtens onjuist is het oordeel dat de rechter de werkgever de gelegenheid mag geven zijn ontbindingsverzoek in te trekken, ook in een geval waarin aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen billijke vergoeding wordt verbonden, maar de werkgever (op verzoek van de werknemer) wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:686a lid 6 BW stelt de rechter, alvorens een ontbinding uit te spreken als bedoeld in artikel 7:671b BW of artikel 7:671c BW waaraan een vergoeding verbonden wordt, partijen van zijn voornemen in kennis en stelt hij een termijn, binnen welke de werknemer de bevoegdheid heeft zijn verzoek in te trekken. Zoals blijkt uit de verwijzing naar de artikelen 7:671b BW en 7:671c BW geldt deze verplichting om gelegenheid te geven tot intrekking van het ontbindingsverzoek uitsluitend indien een van de in die bepalingen bedoelde vergoedingen wordt toegekend aan de verwerende partij. Die verplichting geldt derhalve niet in het geval waarin de rechter de werkgever niet veroordeelt tot betaling van een billijke vergoeding, maar wel tot betaling van de transitievergoeding, waarvan de verschuldigdheid rechtstreeks uit artikel 7:673 BW voortvloeit en de hoogte volgens vaste regels wordt berekend. Het hof is dan ook terecht hiervan uitgegaan. Voor zover het onderdeel ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat een ontbindingsverzoek nog kan worden ingetrokken nadat de ontbinding is uitgesproken, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft geoordeeld dat het de rechter is toegestaan een voorwaardelijke beslissing te geven, waarbij de voorwaarde inhoudt dat het ontbindingsverzoek niet voor een bepaalde datum wordt ingetrokken. Dat oordeel is juist, met dien verstande dat de rechter bij het geven van een voorwaardelijke beslissing acht dient te slaan op hetgeen hierna wordt overwogen. Anders dan het onderdeel betoogt, staat daaraan niet in de weg dat de werknemer het in zijn macht heeft om deze voorwaarde in vervulling te laten gaan.
Voorwaardelijke beslissing mag niet ambtshalve worden gegeven
Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof dat de kantonrechter in dit geval – door zijn (hiervoor in 3.2.2 weergegeven) voorwaardelijke beslissing op het ontbindingsverzoek te geven – de mogelijkheid en de bevoegdheid had om aan BAM de gelegenheid te geven het ontbindingsverzoek in te trekken. Het onderdeel klaagt dat het hof aldus – in het voetspoor van de kantonrechter – buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, althans dat het in strijd met artikel 23 Rv iets anders heeft toegewezen dan is verzocht, althans dat het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven. Artikel 23 Rv brengt mee dat – tenzij de wet in voorkomend geval anders bepaalt – de rechter een voorwaardelijke beslissing als de onderhavige niet ambtshalve mag geven, maar slechts indien een dergelijke beslissing is gevorderd of verzocht, dan wel in de vordering of het verzoek besloten ligt (vgl. HR 29 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1116, NJ 1994/107 en HR 5 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1945, NJ 1996/449). Voorts is de rechter op grond van artikel 19 Rv gehouden partijen over en weer in de gelegenheid te stellen hun standpunten met betrekking tot de toewijsbaarheid van de voorwaardelijke beslissing naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten daaromtrent. Weliswaar heeft werknemer in de procedure voor het hof voldoende gelegenheid gehad om zijn standpunt met betrekking tot de toewijsbaarheid van de door de kantonrechter gegeven voorwaardelijke beslissing naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over het standpunt van BAM daaromtrent, maar uit het bestreden arrest blijkt niet dat het hof heeft vastgesteld dat BAM heeft verzocht om een voorwaardelijke beslissing, dan wel dat een dergelijke beslissing in haar verzoek besloten lag. De daarop gerichte klacht van onderdeel 2 treft dan ook doel.