Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 december 2019
ECLI:EU:C:2019:1110
Dobersberger/Magistrat der Stadt Wien
Feiten
De Österreichische Bundesbahnen (Oostenrijkse nationale spoorwegmaatschappij; hierna 'ÖBB') heeft voor de periode 2012-2016 een contract voor het verlenen van diensten bestaande uit de exploitatie van restauratiewagens of boordservice op een aantal van haar treinen gegund aan de in Oostenrijk gevestigde D. GmbH. Door middel van een reeks onderaannemingsovereenkomsten waarbij de eveneens in Oostenrijk gevestigde H. GmbH was betrokken, werd die opdracht evenwel uitgevoerd door Henry am Zug Hungary Kft. (hierna: 'H. Kft.'), een onderneming naar Hongaars recht, gevestigd in Hongarije. H. Kft. heeft de dienstverrichting verzorgd in een aantal treinen van de ÖBB die reden tussen Salzburg (Oostenrijk) of München (Duitsland) en Boedapest (Hongarije) als vertrek- dan wel eindstation en maakte daarbij gebruik van in Hongarije wonende werknemers die merendeels door een andere Hongaarse onderneming ter beschikking van H. Kft. werden gesteld, terwijl de overigen rechtstreeks in dienst waren van H. Kft. Alle werknemers die voor het verlenen van deze diensten werden ingezet, hadden hun woonplaats en sociale verzekeringen in Hongarije waar hun leven zich in essentie afspeelde. Ook begonnen en beëindigden zij hun diensten in Hongarije. In Boedapest moesten ze de producten, dat wil zeggen het eten en drinken dat daar lag opgeslagen, in ontvangst nemen en in de treinen laden. Ook moesten zij in Boedapest de voorraden controleren en de omzet berekenen. Alle in het hoofdgeding aan de orde zijnde diensten werden dus in Hongarije verleend, met uitzondering van de in de treinen verrichte diensten. Na een inspectie in het station van Wenen (Oostenrijk) op 28 januari 2016, werd Dobersberger, bestuurder van H. Kft., schuldig bevonden aan het feit dat deze onderneming die in haar hoedanigheid van werkgeefster van werknemers met de Hongaarse nationaliteit die door haar op Oostenrijks grondgebied waren gedetacheerd en die in bepaalde ÖBB-treinen de boordservice verleende, in strijd met de betreffende regelgeving had gehandeld. Met zijn eerste drie vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 1 lid 3 onder a van Richtlijn 96/71/EG aldus moet worden uitgelegd dat hieronder de boordservice, schoonmaak en passagierscatering vallen die worden verricht in het kader van een overeenkomst tussen een in een lidstaat gevestigde onderneming en een in een andere lidstaat gevestigde onderneming die contractueel verbonden is met een in die lidstaat gevestigde spoorwegonderneming, door werknemers van de eerste onderneming of door werknemers die door een eveneens in de eerste lidstaat gevestigde onderneming bij haar zijn gedetacheerd, in internationale treinen die door de tweede lidstaat rijden, wanneer deze werknemers een aanzienlijk deel van het werk dat aan deze diensten is verbonden op het grondgebied van de eerste lidstaat verrichten en daar hun dienst beginnen of beëindigen.
Oordeel
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.
Boorddiensten zijn geen vervoersdiensten
Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht dat de vrijheid van dienstverrichting op vervoersgebied niet wordt geregeld door artikel 56 VWEU betreffende de vrijheid van dienstverrichting in het algemeen, maar specifiek door artikel 58 lid 1 VWEU, waarin is bepaald dat het 'vrij verrichten van diensten op het gebied van vervoer wordt geregeld door de bepalingen voorkomende in de titel betreffende het vervoer' (HvJ EU 22 december 2010, Yellow Cab Verkehrsbetrieb, zaak C-338/09, ECLI:EU:C:2010:814, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak), namelijk de artikelen 90 tot en met 100 VWEU. Vervoersdiensten omvatten niet alleen elke fysieke activiteit van het verplaatsen van personen of goederen van de ene naar de andere plaats door middel van een vervoermiddel, maar ook elke dienst – ook al is het slechts een nevenactiviteit – die inherent met deze activiteit is verbonden [zie in die zin HvJ EU 15 oktober 2015, Grupo Itevelesa e.a., zaak C-168/14, ECLI:EU:C:2015:685, punten 46 en 47, en advies 2/15 (Vrijhandelsovereenkomst EU-Singapore) van 16 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:376, punt 61]. Diensten zoals boordservice, schoonmaak of treincatering zijn weliswaar nevenactiviteiten van de dienst van personenvervoer per trein, maar zijn niet inherent hiermee verbonden. Een dergelijke vervoersdienst kan immers zonder deze nevendiensten worden verricht. Bijgevolg zijn op dergelijke diensten, die niet onder de bepalingen van de titel van het VWEU over vervoer vallen, de artikelen 56 tot en met 62 VWEU over diensten van toepassing, met uitzondering van artikel 58 lid 1 VWEU, en kunnen deze diensten als zodanig worden beheerst door Richtlijn 96/71/EG, die is vastgesteld op de grondslag van artikel 57 lid 2 en artikel 66 EG-Verdrag over diensten.
Detacheringsrichtlijn geldt niet voor boorddiensten
Volgens artikel 2 lid 1 van deze richtlijn 'wordt onder "ter beschikking gestelde werknemer" verstaan iedere werknemer die gedurende een bepaalde periode werkt op het grondgebied van een lidstaat die niet de staat is waar die werknemer gewoonlijk werkt'. In dit verband kan een werknemer gelet op Richtlijn 96/71/EG niet worden beschouwd als gedetacheerd op het grondgebied van een lidstaat indien zijn werk geen voldoende nauwe band vertoont met dat grondgebied. Deze uitlegging volgt uit de strekking van Richtlijn 96/71/EG en, met name, van artikel 3 lid 2 ervan, gelezen in samenhang met overweging 15, waarin wordt vastgesteld dat indien de betrokken werknemers op het grondgebied waarheen zij zijn gezonden zeer beperkte diensten verrichten, de bepalingen van deze richtlijn inzake minimumlonen en het minimumaantal betaalde vakantiedagen niet van toepassing zijn. Bovendien ligt dezelfde logica ten grondslag aan de facultatieve afwijkingen waarin artikel 3 leden 3 en 4 van richtlijn 96/71/EG voorziet. Werknemers zoals die in het hoofdgeding die een aanzienlijk deel van hun werkzaamheden uitvoeren in de lidstaat waar de onderneming is gevestigd die hen in internationale treinen heeft ingezet om diensten te verrichten – namelijk alle tot deze werkzaamheden behorende activiteiten met uitzondering van de boordservice tijdens de treinreis – en die hun dienst in die lidstaat beginnen of beëindigen, hebben geen voldoende band met het grondgebied van de lidstaat of lidstaten waar deze treinen doorheen rijden om aldaar als 'ter beschikking gesteld' in de zin van Richtlijn 96/71/EG te worden beschouwd. In dit verband is het irrelevant dat de verrichting van de betrokken diensten valt onder een overeenkomst tussen die onderneming en een onderneming die in dezelfde lidstaat is gevestigd als die van de spoorwegonderneming en die op haar beurt een overeenkomst met deze laatste heeft gesloten. Evenmin is van belang dat de dienstverlenende onderneming voor deze dienstverlening niet haar eigen werknemers inzet, maar werknemers die haar ter beschikking worden gesteld door een onderneming die in dezelfde lidstaat is gevestigd als zijzelf.